Conclusie
1.De feiten
2.Het procesverloop
welin de koop en levering was betrokken. Deze stelling kan wel gedistilleerd worden uit het vervolg: het was volgens de VvE klaarblijkelijk de bedoeling van partijen (bij die koopovereenkomst, hof) om de strook grond in de koop te betrekken. Dit kan, zo vervolgt de VvE, worden afgeleid uit het feit dat de verkoper, [betrokkene 1] , in zijn hoedanigheid van bestuurder van Stichting Kasteel Oud-Wassenaar toeliet dat Mavob en later de VvE ook deze strook grond in gebruik namen, onder meer door er parkeerplaatsen duurzaam te gebruiken; Daarmee heeft [betrokkene 1] aan de appartementseigenaren het bezit verschaft. Het hof gaat hieraan voorbij. Voor de vraag wat [betrokkene 1] aan Mavob op grond van de koopovereenkomst heeft geleverd is bepalend hetgeen als het verkochte is omschreven in de, in de openbare registers ingeschreven, leveringsakte. Deze omschrijving luidt als volgt:
3.De bespreking van het cassatiemiddelen
NJ1993, 178 Baayens-Frunt/Wijers). Zie in deze zin ook het (eerdere) arrest HR 7 maart 1980,
NJ1980, 549, waaruit volgt dat het gestelde bezit niet als ondubbelzinnig kan worden aangemerkt indien niet is gebleken van uiterlijke feiten die de eigenaar van het goed onder de gegeven omstandigheden moest doen begrijpen dat de houder zich als eigenaar beschouwde. [11] A-G Rank-Berenschot merkte op in haar conclusie bij HR 18 september 2015,
NJ2016, 78 dat de in art. 3:108 BW Pro genoemde focus op de rechthebbende niet mee brengt dat art. 3:108 BW Pro een onderzoek zou vergen naar de indruk die in een concreet geval bij de rechthebbende is ontstaan, maar dat het er om gaat of bepaalde handelingen van de bezitter op ieder ander die zich rechthebbende acht, de ‘geobjectiveerde rechthebbende’, de indruk moeten maken dat zijn recht bedreigd wordt. [12]
[verweerders] niet gerechtigd zou zijn om de strook grond te betreden dan wel dat hij het bezit ervan verloren zou zijn. Anders dan de VvE in haar toelichting betoogt suggereert het oordeel van het hof m.i. niet dat aan de betreding van de strook grond door [verweerders] toestemming van de VvE ten grondslag ligt, waaruit erkenning van een sterker recht van de VvE zou volgen. De gerechtigdheid tot betreding volgt – gelet op het eerste deel van rov. 7 van het arrest – uit het feit dat [verweerders] zijn bezit van de strook grond niet heeft verloren en daarvan dus eigenaar is gebleven. Voor zover de VvE een andere uitleg van het betreffende deel van rov. 7 van het arrest voorstaat, gaat het uit van een onjuiste lezing van het arrest.