ECLI:NL:HR:2003:AL8440
Hoge Raad
- Cassatie
- R. Herrmann
- H.A.M. Aaftink
- O. de Savornin Lohman
- A.H. Hammerstein
- P.C. Kop
- Rechtspraak.nl
Onrechtmatige ontneming retentierecht op golfbaanpercelen door bank
Deze zaak betreft een geschil tussen een bank en de rechtsopvolgers van een aannemer ([A]) die een retentierecht uitoefenden op percelen waarop een golfbaan werd aangelegd. De bank had op grond van een kort geding vonnis de aannemer gedwongen de feitelijke macht over het terrein op te geven, waarna zij haar hypotheekrecht uitoefende.
De kern van het geschil was of de aannemer haar retentierecht had verloren door het verwijderen van machines en gereedschappen in oktober 1993, en of zij nog houder was van het terrein. De rechtbank wees de vordering van de rechtsopvolgers af, maar het hof vernietigde dit en oordeelde dat het retentierecht bleef voortbestaan omdat het werk niet voltooid was en de aannemer zichtbare voortzetting van werkzaamheden had gehandhaafd.
De Hoge Raad bevestigde het oordeel van het hof dat het retentierecht voortduurt zolang de aannemer feitelijke macht over het terrein behoudt, ook als materieel is verwijderd, en dat het kenbaarheidsvereiste voor derden met een ouder recht niet geldt. De bank werd veroordeeld in de kosten van het cassatiegeding.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat het retentierecht van de aannemer voortduurt en wijst het cassatieberoep van de bank af.