Conclusie
1.Voorgeschiedenis
( [1] )Daarin wordt het uitspreken door de rechtbank van de niet-ontvankelijkheid van het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling bestreden. Tot de kern teruggebracht wordt tegen de beslissing van de rechtbank het volgende aangevoerd. De kledingzaak van Verzoekster is vanaf 2011/2012 een neerwaartse ontwikkeling gaan doormaken en Verzoekster heeft uiteindelijk moeten besluiten de zaak te sluiten. Hierbij hebben buiten haar macht gelegen tegenslagen – het missen van een seizoenomzet wegens waterschade; het optreden van ernstige ziekteverschijnselen tijdens zwangerschap wat tot arbeidsongeschiktheid heeft geleid; misbruik door het winkelpersoneel van haar afwezigheid; gedwongen vertrek uit een nieuw gehuurde winkelruimte doordat de verhuurder in het kader van een executie gedwongen werd de verhuurde ruimte te ontruimen – een belangrijke rol gespeeld. In het voorjaar van 2016 heeft Verzoekster zich tot de Kredietbank Limburg gewend voor schuldhulpverlening. Deze nam het verzoek om hulp wel in behandeling maar startte niet aanstonds het minnelijk traject. In het aanvragen van het faillissement van Verzoekster zag de Kredietbank aanleiding om geen stappen ter zake van het minnelijke traject te nemen. Tegen deze achtergrond had het verzoek tot toelating tot de schuldsanering niet door de rechtbank niet-ontvankelijk mogen worden verklaard wegens het achterwege gebleven zijn van een minnelijk traject, maar had de rechtbank de beslissing omtrent het verzoek moeten aanhouden ten einde Verzoekster de gelegenheid te bieden dat traject alsnog te doorlopen. Door die gelegenheid niet te bieden en het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling niet-ontvankelijk te verklaren op de grond dat geen stappen ter zake van een minnelijke regeling zijn ondernomen heeft Verzoekster niet reëel gebruik kunnen maken van de in artikel 3 Fw Pro aan een natuurlijk persoon, tegen wie een verzoek tot faillietverklaring wordt ingediend en die nog niet een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling als bedoeld in titel III Fw heeft gedaan, geboden mogelijkheid om alsnog dat verzoek in te dienen, welk verzoek na indiening ingevolge artikel 3a Fw als eerste dient te worden behandeld. Het hof wordt verzocht om de gelegenheid tot het doorlopen van het minnelijke traject alsnog te bieden en dan pas over het verzoek tot toelating van Verzoekster tot de wettelijke schuldsaneringsregeling te beslissen. In dat verband wordt in het beroepschrift vermeld dat begin 2017 met de Kredietbank Limburg al afspraken ten aanzien van het doorlopen van het minnelijk traject zijn gemaakt.
“Zowel de schuld aan het CJIB –[verkeersboetes ten bedrage van € 4.066,61 volgens Verzoekster wegens deelname aan het verkeer met een onverzekerde motorvoertuig] -
als de belastingschulden –[ten bedrage van € 13.946,- en € 19.000,-] -
zijn immers schulden die ingevolge punt 5.4.4. van de ‘Bijlage IV landelijk uniforme beoordelingscriteria toelating schuldsaneringsregeling’ behorend bij het procesreglement verzoekschriftprocedures insolventie zaken rechtbanken dienen te worden beschouwd als schulden welke in beginsel niet te goeder trouw zijn ontstaan. Daarbij komt dat, nu [verzoekster] verzuimd heeft om ex artikel 5.4.4 van het Procesreglement verzoekschriften insolventiezaken rechtbanken de jaarstukken met betrekking tot de voorheen door haar gedreven onderneming over het jaar 2015 over te leggen, geen, of althans onvoldoende inzicht is gegeven in het ontstaan van de zakelijke schulden. Het hof kan immers niet nagaan welke lasten in dat jaar zijn betaald en waaraan de omzet is besteed. Dat [verzoekster] mogelijk om financiële redenen geen jaarstukken heeft laten opmaken ontslaat haar ook niet van de op de haar rustende verplichting dat te allen tijde haar rechten en verplichtingen kunnen worden gekend (vgl. art. 3:15i BW).”
2.Bespreking van het cassatiemiddel
subonderdeel 5.1wordt als eerste klacht aangevoerd dat het hof heeft miskend dat een beslissing dat een schuld niet te goeder trouw is ontstaan niet categorisch kan worden gebaseerd op een procesreglement maar uitsluitend kan worden gebaseerd op de omstandigheden van het geval. Deze klacht over het
uitgangspuntdat is aan te houden bij de beoordeling van de goede trouw van de schuldenaar bij het ontstaan en/of het onbetaald laten van een schuld, slaagt om de volgende reden niet. In verband met genoemde bepaling 5.4.4. oordeelt het hof dat de CJIB- en belastingschulden dienen te worden beschouwd als schulden die
in beginselniet te goeder trouw zijn ontstaan. Het hof gaat dus niet ervan uit, dat vanwege de bepaling 5.4.4. de CJIB- en belastingschulden zonder meer en onweerlegbaar zijn te beschouwen als schulden, die niet te goeder trouw zijn ontstaan. Het hof laat met de woorden ‘in beginsel’ ruimte voor de betrokken schuldenaar om aan te tonen dat die schulden wel voor te goeder trouw ontstaan kunnen worden gehouden. Een en ander sluit aan bij het bij artikel 288 lid 1 sub b Fw Pro aan te houden uitgangspunt dat het aan de verzoeker tot toelating tot de schuldsaneringsregeling is om met het stellen van feiten en omstandigheden en overleggen van stukken voor de rechter aannemelijk te maken dat de schulden, met het oog waarop toelating tot de schuldsaneringsregeling wordt verzocht, te goeder trouw zijn ontstaan en onbetaald zijn gebleven.
( [2] )
subonderdeel 5.2de klacht verbonden dat, zo het hof bij de beoordeling van de CIJB- en belastingschulden aan de goede trouw-eis omstandigheden van het geval in aanmerking heeft genomen, ten onrechte niet alle omstandigheden in ogenschouw heeft genomen. Afgezien van wat hiervoor in 2.5 is opgemerkt, faalt de klacht, naar het voorkomt, ook wegens gemis aan feitelijke grondslag. Met de woorden ‘naar een huidige beoordeling’ doelt het hof op niet meer dan op het stadium waarin de beoordeling van de toewijsbaarheid van het verzoek plaatsvindt, te weten de beoordeling van het verzoek door het hof in appel.
subonderdeel 5.3wordt als onjuist of onbegrijpelijk bestreden dat het hof aan het niet overgelegd zijn van de jaarstukken betreffende 2015 het gevolg verbindt dat daardoor door Verzoekster geen of althans niet voldoende inzicht in het ontstaan van zakelijke schulden heeft gegeven. Er wordt op gewezen dat Verzoekster opgave van alle schulden heeft gedaan. Dat laatste vormt echter geen steekhoudend argument voor de beweerde onjuistheid of onbegrijpelijkheid. In rov. 3.6.2 gaat het hof niet na of Verzoekster wel of niet volledig is geweest bij het vermelden van de aanwezige schulden, maar of de opgegeven schulden te goeder trouw zijn ontstaan. Het hof overweegt immers dat Verzoekster door het niet overleggen van genoemde jaarstukken geen of althans onvoldoende inzicht heeft gegeven in
het ontstaanvan de zakelijke schulden.
plichttot ambtshalve aanvulling van de rechtsgronden aan te nemen, indien de schuldenaar zelf geen beroep op artikel 288 lid 3 Fw Pro heeft gedaan.
( [3] )Daarop stuit af de vervolgklacht dat het hof zich schuldig heeft gemaakt aan onvoldoende motivering door in rov. 3.6.3 zich geen rekenschap te geven van de essentiële stellingen van Verzoekster betreffende een bestendige gedragsverandering die toepassing van de hardheidsclausule rechtvaardigt.
( [4] )Uit deze artikelen volgt dat, wanneer van een natuurlijk persoon het faillissement wordt aangevraagd, deze in de gelegenheid dient te worden gesteld om door indiening van een verzoekschrift als bedoeld in artikel 284 Fw Pro een verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling te doen. Benut de natuurlijk persoon deze gelegenheid tijdig
( [5] )dan wordt de behandeling van het verzoek tot faillietverklaring opgeschort totdat bij een in kracht van gewijsde gegane uitspraak omtrent het verzoek tot toelating tot de schuldsanering is beslist. Ook in een artikel 3 Fw Pro-situatie dient krachtens artikel 285 lid 1 sub f Fw Pro bij het verzoekschrift een met redenen omklede verklaring te zijn gevoegd dat er geen reële mogelijkheden zijn om tot een buiten-gerechtelijke schuldregeling te komen. Een dergelijke verklaring kan evenwel nog niet voor handen zijn ten tijde van de indiening van het verzoekschrift houdende het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling. De uitgifte van een dergelijke verklaring kan de nodige tijd vergen. In artikel 287 lid 2 Fw Pro is bepaald dat bij het ontbreken in of bij het verzoekschrift van gegevens als bedoeld in artikel 285 lid 1 Fw Pro aan de schuldenaar een termijn van ten hoogste één maand kan worden verleend om de ontbrekende gegevens alsnog te verstrekken. Die termijn kan blijken te kort te zijn voor het aanleveren van een ontbrekend gegeven. Dat is met name goed voorstelbaar, indien het ontbrekende gegeven de verklaring betreft dat er geen reële mogelijkheden zijn om tot een buitengerechtelijke schuldregeling te komen. De vraag is nu of het niet aanleveren binnen één maand van de ontbrekende verklaring het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Of is er ruimte voor het oprekken van de één maand-termijn?
( [6] )
( [7] )
“Voor zover aanhouding van de behandeling van de zaak is bepleit ten einde alsnog uitvoering te geven aan het vereiste minnelijke traject, acht het hof dat – ook onder de omstandigheid dat met een dergelijk traject een nieuwe start zou zijn gemaakt – thans niet meer aan de orde, mede gelet op de vereiste voortgang van de faillissementsprocedure.”Uit het citaat valt af te leiden dat het hof op zichzelf openstaat voor het bieden van extra ruimte voor het onderzoeken van de mogelijkheid van een minnelijk traject. Maar in het onderhavige geval wil het hof die ruimte niet meer bieden. Daartoe neemt het hof in aanmerking enerzijds de geringe voortgang die met het minnelijke traject is gemaakt ondanks dat daarvoor al heel wat tijdsruimte is geboden en anderzijds op de belangen die bij het aangevraagde faillissement zijn betrokken. Dit betreft een aan de feitenrechter voorbehouden belangenafweging, die niet onbegrijpelijk is te achten.