Conclusie
1.Feiten en procesverloop
power plates(fitnessapparaten) en bijbehorende instructieconsoles aan vestigingen van Pellikaan te leveren om zo een openstaande vordering van Pellikaan op Special Sports Amstelveen te verminderen:
power platesen instructieconsoles zouden worden geleverd door Power Plate International.
Het gegenereerde geld zal geboekt worden op het bouwwerk Special Sports Amstelveen om zodanig de openstaande vorderingen van Pellikaan aan Special Sports Amstelveen met dit gegenereerde geld te verminderen.’
€ 48.000,00
€10.000,—
power platesgeleverd aan de Pellikaan Health & Racquet Club te Maastricht.
power platesen instructieconsoles te leveren. Daarbij is aangekondigd dat, als de levering zou uitblijven, vervangende schadevergoeding ter hoogte van de waarde van het nog openstaande tegoed aan
power platesen instructieconsoles van € 230.500,— zou worden gevorderd.
power platesvan 18 september 2007 te laten voldoen en dat deze erkenning de lopende verjaring heeft gestuit (rechtsoverweging 3.4).
2.Bespreking van het cassatiemiddel in het principaal cassatieberoep
schuldenaar. [4] De ratio voor stuiting in geval van erkenning is dus van andere aard. In geval van erkenning beschermt stuiting de schuldeiser in het vertrouwen dat hij aan het gedrag van de schuldenaar ontleent, namelijk het vertrouwen dat de schuldenaar zich van de aanspraak van de schuldeiser bewust is en wel zonder het bestaan van die aanspraak ter discussie te stellen. Kon de schuldeiser aan het gedrag van de schuldenaar dat vertrouwen inderdaad redelijkerwijs ontlenen, dan is alleszins begrijpelijk dat hij ervan uitging dat hij het instellen van een eis, dan wel het verrichten van een andere stuitingshandeling, voorlopig achterwege kon laten. De schuldenaar die vervolgens niettemin zich op verjaring beroept, beschaamt de schuldeiser in diens redelijke verwachtingen. Daarnaast geldt dat de erkennende schuldenaar de bescherming die de verjaringsregeling aan andere schuldenaren biedt, redelijkerwijs niet behoeft. Uit de erkenning blijkt immers dat hij zich van de aanspraak van de schuldeiser bewust is, terwijl de erkenning bovendien in het algemeen een debat over de inhoud van die aanspraak onnodig zal maken (zodat niet kan worden gezegd dat het uitblijven van verjaring de schuldenaar blootstelt aan de onzekerheid en kosten van een dergelijk debat en ook niet noodzaakt tot het veiligstellen van bewijsmiddelen). Vergelijk voor het voorgaande de op dit punt gelijkluidende
commentsop art. 14.401 PECL en art. III.7:401 DCFR: [5]
geschäftsähnliche Handlung, [12] dus een ‘rechtshandelingsachtige handeling’. Voor die duiding, als een rechtsfiguur die geen rechtshandeling in strikte zin is maar evenmin een feitelijke handeling, [13] lijkt mij ook naar Nederlands recht veel te zeggen. Van een op rechtsgevolg gerichte wil (art. 3:33 BW Pro) of de schijn daarvan (art. 3:35 BW Pro) is in geval van erkenning geen sprake. De schuldenaar beoogt met zijn handeling niet de verjaring te stuiten (daarbij heeft hij geen belang, integendeel), maar beoogt in plaats daarvan iets anders. In geval van een rente- of deelbetaling, beoogt de schuldenaar bijvoorbeeld de (gedeeltelijke) bevrijding van die schuld. Toch valt niet te betwijfelen dat zo’n rente- of deelbetaling onder omstandigheden een erkenning oplevert. [14] Hoewel van een op rechtsgevolg gerichte wil dus geen sprake is, kan men in geval van erkenning met de Duitse literatuur wel van een verklaring van de schuldenaar spreken (wat dus een belangrijke parallel met rechtshandelingen oplevert). Die verklaring heeft in plaats van op de wil van de schuldenaar, betrekking op zijn bewustheid van de aanspraak van de schuldeiser. Met een variatie op het begrip ‘
Willenserklärung’ spreekt de Zwitserse auteur Spiro over erkenning als ‘
eine Wissenserklärung’. [15] Net als voor (echte) rechtshandelingen geldt ook voor erkenning dat de verklaring in iedere vorm kan geschieden en in een of meer gedragingen besloten kan liggen (vergelijk art. 3:37 lid 1 BW Pro).
geschäftsähnliche Handlung, om die Duitse term maar te blijven gebruiken? [16] Op een
geschäftähnliche Handlungzijn de regels met betrekking tot rechtshandelingen niet zonder meer van toepassing; analoge toepassing vindt plaats voor zover dat met de strekking van de toe te passen rechtsregel in overeenstemming is. [17] Ik meen dat ook de aard van de handeling een rol zal kunnen spelen. Dit betekent voor toerekeningsvragen als hier bedoeld weliswaar dat de regels omtrent vertegenwoordiging mogelijk analoog toepassing vinden, maar allerminst dwingend. In plaats daarvan zijn de aard van de handeling en de strekking van de toe te passen rechtsregel doorslaggevend. Met het karakter van de handeling van erkenning en de strekking van de regel van art. 3:318 BW Pro dunkt het mij in overeenstemming om, eventueel naast gevallen van vertegenwoordiging in een meer eigenlijke zin, te aanvaarden dat het handelen van een ander dan de schuldenaar als een erkenning door de schuldenaar geldt, zo vaak als de schijn die door dat handelen bij de schuldeiser is gewekt, door toedoen van de schuldenaar is ontstaan, dan wel op andere grond naar verkeersopvattingen aan hem moet worden toegerekend. Aldus sluit ik aan bij hetgeen in andere gevallen van vertrouwensbescherming geldt: kort gezegd het ‘toedoenbeginsel’ of
Veranlassungsprinzip, [18] aangevuld met een risico-element naar analogie van het arrest ING/Bera. [19]
geschäftsähnliche Handlungook verhelderend voor de vraag of een bepaald handelen nu wel of niet als erkenning behoort te gelden, [23] vooral als we daarbij bedenken dat erkenning met (echte) rechtshandelingen het karakter van verklaring deelt (hiervoor onder 2.10). Welnu, wat wel of niet een erkenning oplevert, is een kwestie van uitleg van de verklaring, waarvoor de maatstaf naar analogie is te ontlenen aan de wilsvertrouwensleer (Haviltex). Spitsen we, zoals hier voor de hand ligt, de maatstaf toe op het vertrouwen dat de schuldeiser aan het handelen van de schuldenaar (of van de persoon wiens handelen aan hem wordt toegerekend) kan ontlenen, dan is bepalend hetgeen de schuldeiser in de gegeven omstandigheden omtrent de bewustheid van de schuldenaar redelijkerwijs mocht begrijpen en verwachten, waarvoor alle omstandigheden van het geval potentieel van belang zijn.
omvangvan het erkende vorderingsrecht. Een betaling houdt in het algemeen niet de erkenning in van meer dan wat daadwerkelijk is betaald. [24] Dat zal bijvoorbeeld anders kunnen zijn wanneer aan de betaling correspondentie over een hoger, in termijnen te betalen bedrag is voorafgegaan en het betaalde bedrag gelijk is aan een in die correspondentie genoemd termijnbedrag. Steeds komt het aan op een waardering van de omstandigheden van het geval en de redelijke verwachtingen die in het bijzonder de schuldeiser aan die omstandigheden kon ontlenen.
power platesleverde ex art. 6:30 BW Pro, althans omdat Power Plate International niet optrad als vertegenwoordiger van Special Sports Amstelveen, zodat de levering van deze apparaten geen erkenning door de schuldenaar (Special Sports Amstelveen) kan inhouden.
power platesuit te leveren hield een dergelijke volmacht ook niet in;
power platesin 2007;
heeft laten voldoen, wat volgens het hof een erkenning door Special Sports Amstelveen oplevert.
power plates, een erkenning door Special Sports Amstelveen oplevert. Ik kan echter niet inzien waarom de door het middel opgesomde stellingen (zoals onder 2.20 weergegeven) aan het oordeel van het hof de begrijpelijkheid ontnemen. Met betrekking tot de stellingen sub a, b en d behoeft dat na het voorgaande geen toelichting meer. Het naslaan van de bij stelling sub c vermelde vindplaatsen leert dat daar sprake is van correspondentie over verjaringskwesties. Niet valt in te zien waarom voor een erkenning die besloten ligt in een betaling van belang is of de persoon die de betaling verricht, door de schuldenaar is aangewezen om over verjaringskwesties te corresponderen. Dat de brief van 18 september 2007 (met het verzoek tot levering van de drie
power plates) alleen naar Power Plate International is verstuurd, is geheel conform de door Special Sports Amstelveen geregisseerde gang van zaken, en kan ook overigens niet afdoen aan het vertrouwen dat met de betaling bij Pellikaan is gewekt. Dat geldt ook voor de omstandigheid dat bij Special Sports Amstelveen geen melding is gemaakt van de levering in 2007. De door Special Sports Amstelveen geregisseerde gang van zaken leidde ertoe – zo is de kennelijke en mijn inziens niet onbegrijpelijke gedachtegang van het hof – dat Pellikaan geen reden had om zich, naast tot Power Plate International, tot Special Sports Amstelveen te richten. Ook met betrekking tot de onder sub h bedoelde stelling kan ik niet inzien dat ze het oordeel van het hof onbegrijpelijk maakt. In dit verband vermeld ik dat volgens de stellingen van Pellikaan aan haar niet is meegedeeld dat Power Plate International de groep van Special Sports Beheer verliet. [28] Als ik het goed zie, is dit door Special Sports Amstelveen niet betwist. De stelling sub i, dat stuitingen door Pellikaan rechtstreeks tot Special Sports Amstelveen werden gericht, sluit geenszins uit dat een (door Special Sports Amstelveen vooraf geregisseerde) betaling door Power Plate International een erkenning in de zin van art. 3:318 BW Pro oplevert. De stelling sub j, dat Power Plate International in de brief van 18 september 2007 van Pellikaan geen verjaring heeft gelezen, ten slotte maakt het voorgaande ook niet anders. De brief van 18 september 2007 is door het hof niet aangemerkt als een stuitingshandeling. In plaats daarvan was die brief een betalingsverzoek van Pellikaan. Dat dit verzoek tot Power Plate International werd gericht, was naar het hof kennelijk en niet onbegrijpelijk heeft aangenomen, conform de door Special Sports Amstelveen aan Pellikaan gegeven aanwijzingen.
power platesaan Pellikaan de verplichtingen van Special Sports Amstelveen uit hoofde van de overeenkomst
van 14 juli 2004nakwam. Daarbij wijst het middel er onder meer op dat Special Sports Amstelveen zowel de totstandkoming van die overeenkomst heeft betwist, [29] als bij herhaling heeft benadrukt dat de levering van de drie apparaten door Power Plate International plaatsvond uit hoofde van de tussen partijen
op 10 november 2003gesloten overeenkomst. [30]
power plates, [32] welke overeenstemming bij brief van 10 november 2003 is bevestigd. Positum 4.23 houdt zelf met zoveel woorden in dat de levering van de drie apparaten plaatsvond uit hoofde van wat
in 2003was overeengekomen. In dit verband merk ik op dat tussen partijen niet in geschil is dat tot september 2007 door Power Plate International 21
power plateswaren geleverd en dat dus de levering van drie apparaten naar aanleiding van de brief van Pellikaan van 18 september 2007 het bij de overeenkomst van 10 november 2003 overeengekomen totaal van 24 stuks vol maakte. Van de bij die overeenkomst tevens afgesproken levering van zes instructieconsoles, resteerden nog wel twee stuks, [33] die ook in de vordering van Pellikaan zijn begrepen. [34] Hoe dan ook, niet valt in te zien hoe de levering van de drie
power plateseen erkenning kan opleveren van de volgens de stellingen van Pellikaan op 14 juli 2004 tot stand gekomen nadere overeenkomst. [35]
onderdelen II en IIIvan het middel voegen nauwelijks nog iets toe. Ik bespreek die onderdelen daarom slechts summier.
subonderdelen IIb en IIcmotiveringsklachten. Tot de vele in dat verband aangehaalde stellingen in de feitelijke instanties behoort ook dat Special Sports Amstelveen de totstandkoming van de (door Pellikaan gestelde) overeenkomst van 14 juli 2004 heeft betwist en dat Special Sports Amstelveen met Power Plate International uitsluitend was overeengekomen de levering van het in de overeenkomst van 10 november 2003 begrepen aantal apparaten (wat betreft de
power plates:24 stuks). Bij een welwillende lezing van deze subonderdelen slagen zij daarom eventueel op dezelfde gronden als subonderdeel Ic. Ik meen echter dat deze subonderdelen niet slagen, omdat zij onvoldoende specifiek uiteenzetten waarom het oordeel van het hof onbegrijpelijk is. Een schot hagel is geen deugdelijke klacht.
subonderdelen IIIa tot en met IIIdkiezen alle als invalshoek dat, indien met de levering van de drie
power plateseen erkenning in de zin van art. 3:318 BW Pro zou hebben plaatsgevonden, het hof in dat geval ten onrechte niet kenbaar heeft onderzocht hoever die erkenning reikte.
subonderdelen IIIa tot en met IIIcgaan er alle van uit dat het verzoek tot levering van Pellikaan bij brief van 18 september 2007, waarin wordt gerefereerd aan een aanspraak op levering van 36
power plates, een zelfstandige rol speelt in de beslissing van het hof dat de verjaring door erkenning is gestuit. Mijns inziens missen deze subonderdelen feitelijke grondslag. Het hof heeft zijn beslissing gegrond op de onder 2.22 aangehaalde eigen stellingen van Special Sports Amstelveen. De brief van 18 september 2007 wordt door het hof weliswaar herhaaldelijk genoemd, maar ik zie geen reden om aan te nemen dat de inhoud van de brief voor het hof medebepalend is geweest, anders dan dat naar aanleiding van die brief door Power Plate International drie apparaten zijn geleverd. In de derde volzin van rechtsoverweging 3.4, die de kern van ’s hofs motivering vormt, is Special Sports Amstelveen onderwerp. Het is haar handelen dat door het hof als een erkenning wordt gekwalificeerd. In de laatste zin van dezelfde rechtsoverweging maakt het hof zijn gedachtegang weliswaar minder duidelijk, maar ik zou die zin in het licht van het voorgaande willen begrijpen.
Bespreking van het cassatiemiddel in het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep