Conclusie
middelen, die zich lenen voor een gezamenlijke bespreking, klagen erover dat de bewezenverklaring niet kan volgen uit de gebezigde bewijsmiddelen. In het eerste middel wordt betoogd dat uit de bewijsvoering niet kan blijken dat de verdachte de bestuurder van de auto is geweest. Het tweede middel klaagt dat daaruit evenmin volgt dat de verdachte wetenschap had van de ongeldigverklaring van zijn rijbewijs.
eerste middelkan niet tot cassatie leiden. De bewijsmiddelen houden weliswaar niet met zoveel woorden in dat de verdachte de bestuurder van de auto is geweest maar dat ligt naar ik meen wel besloten in de constatering van de verbalisant dat, op de nader aangegeven tijd en plaats het strafbare feit van art. 9 WVW1994 door hem werd geconstateerd. Het lijkt mij aannemelijk dat het hof dat bewijsmiddel in de zo-even bedoelde zin gelezen heeft, waarbij het hof ook nog in de bewijsvoering heeft betrokken de waarneming van de verbalisant dat na het constateren van het strafbare feit de verdachte – kennelijk als bestuurder van de auto - van plaats wisselde met zijn vriendin. Bij elkaar lijkt mij dat een voldoende – niet onbegrijpelijke – onderbouwing van het bestuurderschap van de verdachte.
tweede middelkomt, zoals eerder gezegd, op tegen ‘s hofs oordeel dat de verdachte wist van de ongeldigverklaring van zijn rijbewijs.
Wetenschap