ECLI:NL:PHR:2017:339

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
18 april 2017
Publicatiedatum
16 mei 2017
Zaaknummer
15/05096
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 lid 2 WVW 1994Art. 81 lid 1 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt arrest inzake wetenschap ongeldigverklaring rijbewijs en bestuurlijke feiten

De verdachte werd door het gerechtshof Den Haag veroordeeld wegens het besturen van een motorrijtuig terwijl hij wist dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. Het hof baseerde zijn oordeel op het feit dat het besluit tot ongeldigverklaring per aangetekende brief was verzonden en niet retour was gekomen, en op de waarneming van een verbalisant dat verdachte en zijn vriendin van plaats wisselden in de auto nadat zij een politievoertuig passeerden.

In cassatie werden twee middelen aangevoerd: het eerste middel betrof de vraag of de verdachte daadwerkelijk bestuurder was geweest, het tweede middel betrof de wetenschap van de ongeldigverklaring van het rijbewijs. De Hoge Raad oordeelde dat het eerste middel faalde omdat het hof voldoende aannemelijk had gemaakt dat verdachte bestuurder was.

Het tweede middel slaagde echter omdat het hof niet voldoende had vastgesteld dat verdachte daadwerkelijk wist van de ongeldigverklaring. De enkele omstandigheid van de aangetekende brief die niet retour kwam, gecombineerd met de wisseling van zitplaats in de auto, was onvoldoende om wetenschap aan te nemen. De Hoge Raad vernietigde daarom het arrest en verwees de zaak terug naar het gerechtshof Den Haag voor een nieuwe beoordeling.

De conclusie van de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad benadrukte dat de bewijsvoering tekort schoot en verwees naar eerdere jurisprudentie over de vereisten voor het aannemen van wetenschap van ongeldigverklaring van een rijbewijs.

Uitkomst: Het arrest van het gerechtshof is vernietigd en de zaak is terugverwezen voor hernieuwde behandeling.

Conclusie

Nr. 15/05096
Zitting: 18 april 2017
Mr. A.E. Harteveld
Conclusie inzake:
[verdachte]
De verdachte is bij arrest van 20 oktober 2015 door het gerechtshof Den Haag wegens “overtreding van artikel 9, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie weken, waarvan twee weken voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren.
Namens de verdachte is beroep in cassatie ingesteld. Mr. E.R. Weening, advocaat te Rotterdam, advocaat te Rotterdam, heeft bij schriftuur twee middelen van cassatie voorgesteld.
De
middelen, die zich lenen voor een gezamenlijke bespreking, klagen erover dat de bewezenverklaring niet kan volgen uit de gebezigde bewijsmiddelen. In het eerste middel wordt betoogd dat uit de bewijsvoering niet kan blijken dat de verdachte de bestuurder van de auto is geweest. Het tweede middel klaagt dat daaruit evenmin volgt dat de verdachte wetenschap had van de ongeldigverklaring van zijn rijbewijs.
3.1. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“hij, op 23 februari 2014, te Dordrecht, terwijl hij wist dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een of meer categorieën van motorrijtuigen, te weten categorie B, ongeldig was verklaard en aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie of categorieën was afgegeven, op de weg, de Oranjelaan, als bestuurder een motorrijtuig, te weten een personenauto, van die categorie of categorieën heeft bestuurd.”
3.2. De bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:
“1. Een proces-verbaal misdrijf d.d. 12 maart 2014 van de politie Zuid-Holland-Zuid met zaaknummer 0013700964. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - : als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:
Ik constateerde dat een persoon een feit pleegde dat valt onder artikel 9, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994.
Waarneming:
Datum: 23-02-2014
Omstreeks: 10:16 uur
Plaats: Dordrecht
Locatie: Oranjelaan
Soort weg: een weg, zijnde een voor het openbaar verkeer openstaande weg
Voertuig: personenauto
Verdachte werd ter controle op de naleving van de bij of krachtens de WVW 1994 gestelde bepalingen gevorderd zijn motorrijtuig te doen stilhouden. Bij informatie bleek dat het rijbewijs van verdachte voor het besturen van genoemd voertuig door het CBR ongeldig was verklaard.
Personalia verdachte: [verdachte], geboren [geboortedatum] 1979 te [geboorteplaats].
2. Een geschrift, zijnde de mededeling van het CBR van de ongeldigverklaring van het rijbewijs van de verdachte, aangetekend verzonden op 9 maart 2007 en niet retour gekomen.
3. Een proces-verbaal Wet Mulder d.d. 5 oktober 2014 van de Politie, Eenheid Rotterdam, met nr. PL1700-2014403384-1. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - : als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:
Aanvullend kan ik verklaren dat [verdachte] en zijn vriendin wisselden van zitplaats in het voertuig, nadat wij hen tegemoetkomend waren gepasseerd.”
3.3. Het
eerste middelkan niet tot cassatie leiden. De bewijsmiddelen houden weliswaar niet met zoveel woorden in dat de verdachte de bestuurder van de auto is geweest maar dat ligt naar ik meen wel besloten in de constatering van de verbalisant dat, op de nader aangegeven tijd en plaats het strafbare feit van art. 9 WVW1994 door hem werd geconstateerd. Het lijkt mij aannemelijk dat het hof dat bewijsmiddel in de zo-even bedoelde zin gelezen heeft, waarbij het hof ook nog in de bewijsvoering heeft betrokken de waarneming van de verbalisant dat na het constateren van het strafbare feit de verdachte – kennelijk als bestuurder van de auto - van plaats wisselde met zijn vriendin. Bij elkaar lijkt mij dat een voldoende – niet onbegrijpelijke – onderbouwing van het bestuurderschap van de verdachte.
3.4. Een blik over de papieren muur bevestigt de hierboven gegeven lezing van de bewijsmiddelen. Het voor het bewijs gebezigde proces-verbaal van bevindingen van de politie van 12 maart 2014 is in het onderliggende proces-verbaal, bevat naast de in bewijsmiddel 1 opgenomen passage, de volgende verklaring van de verdachte:
“Ik werd aangevallen door iemand met een stuk hout. Ik werd geslagen op de achterkant van mijn onderbeen en de zijkant van mijn bovenbeen. Mijn vriendin kwam rennend aan, we moesten snel weg. Ik ben in de auto gesprongen samen met haar, ik reed. We moesten snel weg.”
Voorts bevat het eveneens voor het bewijs gebezigde proces-verbaal van bevindingen van de politie van 5 oktober 2014 in het onderliggende proces-verbaal, naast het in bewijsmiddel 3 opgenomen onderdeel, nog de volgende passage:
“Verdachte [verdachte] verklaarde dat hij was aangevallen door iemand met een stuk hout. En dat hij geslagen was. Zijn vriendin kwam rennend aan, waarop ze snel de auto in zijn gesprongen en zijn weggereden.
(…)
Na de wissel reed de vriendin van [verdachte], die wel in het bezit was van een geldig rijbewijs. Mijns inziens had men ervoor kunnen kiezen om de vriendin direct te laten rijden. Ik acht het, zeker in een dergelijke stressvolle situatie, onverstandig om achter het stuur plaats te nemen zonder rijbewijs.”
3.5. De conclusie van deze excursie naar gene zijde van de cassatiemuur is dat, ook als men de door het hof in zijn arrest opgenomen bewijsmiddelen ontoereikend zou achten het evident is de verdachte in cassatie niet een voldoende in rechte te respecteren belang heeft bij dit middel voor zover betrekking hebbende op het punt dat niet kan blijken dat hij daadwerkelijk de bestuurder is geweest. Gelet op het verhandelde ter terechtzitting, alwaar de inhoud van de dossierstukken is voorgehouden en het desbetreffende punt niet door de raadsman van de verdachte aan de orde is gesteld, alsmede op hetgeen hiervoor onder 3.4 is uiteengezet, zal een hernieuwde behandeling van de zaak naar verwachting niet tot een andere uitkomst ten aanzien van dit onderdeel van de bewezenverklaring leiden. Derhalve kan een eventueel aan te nemen verzuim (ook) wegens het ontbreken van belang voor de verdachte bij vernietiging op dit punt niet tot cassatie te leiden.
3.6. Het
tweede middelkomt, zoals eerder gezegd, op tegen ‘s hofs oordeel dat de verdachte wist van de ongeldigverklaring van zijn rijbewijs.
3.7. Het hof heeft in de bestreden uitspraak dienaangaande het volgende overwogen:

Wetenschap
Namens de verdachte is bepleit dat uit het dossier niet volgt dat de verdachte wetenschap had van de ongeldigverklaring van zijn rijbewijs.
Het hof overweegt hieromtrent als volgt. Het besluit van 9 maart 2007 tot ongeldigverklaring van het rijbewijs van de verdachte is aangetekend verzonden en niet retour gekomen. Daarnaast is door de verbalisant waargenomen dat de verdachte en zijn vriendin na het tegemoetkomend passeren van het politievoertuig wisselden van zitplaats, waarna de vriendin van verdachte reed. Uit deze omstandigheden leidt het hof af dat de verdachte op 23 februari 2014 moet hebben geweten dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard.”
3.8. In de onderhavige zaak heeft het hof bewezen verklaard dat verdachte op 23 februari 2014 als bestuurder heeft gereden en dat hij toen wel moest hebben geweten dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. Daarbij heeft het Hof de volgende feiten en omstandigheden in aanmerking genomen:
- het besluit van 9 maart 2007 tot ongeldigverklaring van het rijbewijs van de verdachte is aangetekend verzonden en niet retour gekomen;
- de verbalisant heeft daarnaast waargenomen dat de verdachte en zijn vriendin na het tegemoetkomend passeren van het politievoertuig wisselden van zitplaats, waarna de vriendin van verdachte reed.
3.9. Volgens vaste rechtspraak is de enkele omstandigheid dat het besluit tot ongeldigverklaring van het rijbewijs van een verdachte per aangetekende brief is verzonden en die brief niet retour is gekomen, onvoldoende om vast te stellen dat de verdachte wist van de ongeldigverklaring in de zin van art. 9 lid 2 van Pro de Wegenverkeerswet 1994. [1] Het hof heeft dan ook terecht niet volstaan met alleen deze vaststelling. Maar naar mijn mening heeft het hof door daarnaast nog in aanmerking te nemen dat de verdachte en zijn vriendin na het passeren van een politievoertuig van plaats wisselden waarna de vriendin van de verdachte reed, nog steeds niet op voldoende wijze vastgesteld dat verdachte wist dat zijn rijbewijs inmiddels ongeldig was verklaard. Het is immers goed mogelijk dat die gedraging van de verdachte een andere oorzaak had, bijvoorbeeld dat de verdachte gedronken of ‘geblowd’ had en zich realiseerde dat hij daardoor niet mocht rijden. De bewijsvoering bevat ook overigens geen omstandigheden waaruit de vereiste wetenschap van de verdachte kan worden afgeleid. Het vorenstaande brengt mij ertoe te concluderen dat de bewijsredenering van het hof in dit opzicht tekort schiet. De bewezenverklaring is in zoverre niet naar de eis der wet met redenen omkleed.
4. Het tweede middel slaagt. Het eerste middel faalt en kan met de aan art. 81 lid 1 RO Pro ontleende motivering worden verworpen.
5. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging aanleiding behoort te geven.
6. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag, teneinde in hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Vgl. o.m. HR 4 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3115, HR 12 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1179 en HR 25 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO6762.