ECLI:NL:PHR:2017:220
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad vernietigt niet-ontvankelijkverklaring wegens onjuiste veronderstelling afstand aanwezigheidsrecht verdachte
De verdachte werd door het gerechtshof Den Haag niet-ontvankelijk verklaard in hoger beroep omdat het hof oordeelde dat hij en zijn raadsvrouw niet wilden verschijnen, gebaseerd op een mededeling van de gerechtsbode. De verdachte was bij verstek veroordeeld door de politierechter wegens verduistering en bedrieglijke bankbreuk. De dagvaarding voor het hoger beroep was niet persoonlijk aan verdachte betekend, maar aan zijn raadsvrouw toegezonden.
Tijdens de terechtzitting in hoger beroep was de raadsvrouw aanwezig in het Paleis van Justitie, maar in een andere zittingszaal. De bode meldde dat zij en verdachte niet zouden verschijnen en dat de raadsvrouw het hof hierover had ingelicht. Het hof concludeerde hieruit dat verdachte afstand had gedaan van zijn aanwezigheidsrecht en verklaarde hem niet-ontvankelijk wegens overschrijding van de beroepsinstellingstermijn.
De Hoge Raad oordeelt echter dat het hof niet uit de enkele mededeling van de bode kon afleiden dat verdachte vrijwillig afstand had gedaan van zijn aanwezigheidsrecht. De raadsvrouw was mogelijk verhinderd vanwege een andere zitting en had het hof mogelijk wel geïnformeerd. Het hof ging zonder motivering voorbij aan deze mogelijkheid. Daarom wordt het arrest vernietigd en de zaak terugverwezen voor hernieuwde behandeling.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest en verwijst de zaak terug naar het gerechtshof voor hernieuwde behandeling.