Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Bespreking van het cassatiemiddel
eerste onderdeelwordt opgekomen tegen de rechtsoverwegingen 2.14 en 2.15 van het vonnis van de rechtbank. Die overwegingen en de voorafgaande rechtsoverweging 2.13 luiden:
algemeen bestuurvan het Waterschap tot aanwijzing ter onteigening van de desbetreffende onroerende zaken door de Kroon. De rechtbank heeft aldus geoordeeld in de rechtsoverwegingen 2.8-2.12 van het vonnis van 3 augustus 2016, en het middel richt zich tegen dat oordeel niet. In cassatie staat evenmin ter discussie of het verzoek tot aanwijzing ter onteigening wel door het
dagelijks bestuurvan het Waterschap kon worden ingediend. Het gaat uitsluitend nog om de vraag of de algemeen directeur van het Waterschap, [betrokkene], bevoegd was om dit verzoek namens het dagelijks bestuur te doen. Daarbij verwijst het middel naar de inhoud van de Organisatieverordening Waterschap Vallei en Veluwe 2013 en het daarop gebaseerde Organisatiebesluit Waterschap Vallei en Veluwe 2013.
.De aanvang van die procedure is formeel dan ook een andere dan de aanvang van de Titel IV-onteigening, hetgeen onder meer consequenties heeft voor het al dan niet stellen van de eis dat na het indienen van het verzoek tot onteigening het besluit aan de Kroon wordt voorgedragen en stukken worden overgelegd. Om deze reden wordt de in het voorgestelde artikel 79 van Pro de onteigeningswet geregelde verplichting om voorbereidende stukken op te stellen en gegevens aan de Kroon te verstrekken niet geregeld in artikel 63 van Pro de onteigeningswet.’
tweede onderdeelklaagt over het dictum van het vonnis van de rechtbank, waar de rechtbank onder 3.7 het vonnis uitvoerbaar bij voorraad heeft verklaard. Volgens het onderdeel heeft de rechtbank ten onrechte de vordering van het Waterschap tot het uitvoerbaar bij voorraad verklaren van het vervroegd onteigeningsvonnis toegewezen, omdat het systeem van de Onteigeningswet zich tegen een dergelijke uitvoerbaarbijvoorraadverklaring verzet.
veroordelingtot betaling van het voorschot is geen sprake. Betaling van het voorschot is een vereiste voor inschrijving van het vonnis (art. 54n lid 1 onder 3 Ow) en daarmee ook voor de eigendomsovergang op de onteigende, volgens het principe van gelijk oversteken. Zoals gezegd is die inschrijving eerst mogelijk nadat het vonnis in kracht van gewijsde is gegaan. Met dit stelsel verdraagt zich niet dat het voorschot verschuldigd zou zijn, hoewel inschrijving van het vonnis nog niet mogelijk is. Ook met betrekking tot de bepaling van het voorschot geldt dus dat het stelsel van de Onteigeningswet zich verzet tegen de uitvoerbaarbijvoorraadverklaring daarvan. [18]