Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Bespreking van het cassatiemiddel
kanworden gehouden met de in de desbetreffende vennootschap behaalde maar niet aan de dga uitgekeerde winst. [4] Daarbij zal een afweging moeten worden gemaakt tussen twee met elkaar conflicterende belangen, te weten enerzijds het belang van de alimentatiegerechtigde bij een aan haar behoefte tegemoetkomend levensonderhoud en anderzijds het belang van de vennootschap (en die van de dga) bij een gezonde financiële toekomst met het oog op het voortbestaan van de vennootschap. In dat verband geldt dat de dga, die de (financiële situatie van de) door hem bestuurde vennootschap als geen ander kent, een zekere vrijheid toekomt om te bepalen of een winstuitkering (ter voldoening aan zijn alimentatierechtelijke verplichting) wel of niet in het belang van de vennootschap is. De keuzes die de dga in dat verband maakt, zullen door de rechter bij de draagkrachtberekening van de dga met de nodige terughoudendheid getoetst moeten worden. [5] De rechter zal de met het oog op een goede bedrijfsvoering en gezonde financiële toekomst van de vennootschap gemaakte keuzes van de dga in beginsel moeten respecteren, tenzij bijvoorbeeld vast zou komen te staan dat de keuze van de dga vooral is ingegeven om zijn alimentatiedraagkracht te drukken of hij anderszins een keuze heeft gemaakt die geen redelijk denkend ondernemer in dezelfde branche zou hebben gemaakt. [6] Daarbij geldt eveneens dat de dga verplicht is zich te houden aan de voor hem uit Boek 2 BW voortvloeiende vennootschapsrechtelijke verplichtingen. [7]
in beginselter beoordeling van de bestuurder van de vennootschap’ (curs. A-G) is om bij aanwezigheid van winstreserves wel of niet tot dividenduitkeringen over te gaan. Onderdeel 1.2 faalt derhalve.
onderdeel I.5wordt betoogd dat het hof in rov. 15 heeft miskend dat het aan de man is om niet slechts te stellen maar, gelet op het gemotiveerde verweer van de vrouw, ook te onderbouwen waarom gelet op de belangen van zijn onderneming van hem in redelijkheid niet verlangd kan worden dat hij naast zijn salaris meer inkomsten uit zijn onderneming genereert door (een deel) van de winst uit te keren opdat hij kan voldoen aan de onderhoudsbehoefte van de kinderen. In
onderdeel 1.6wordt aangevoerd dat het oordeel van het hof met betrekking tot het al dan niet uitkeren van winstreserves in ieder geval onbegrijpelijk is en in
onderdeel 1.7dat het hof ten onrechte niet heeft gerespondeerd op essentiële stellingen van de vrouw waarin zij heeft betoogd dat winstreserves uitgekeerd zouden moeten worden.