Conclusie
eerste middelklaagt dat het hof bij de bewezenverklaring van feit 2 de grondslag van de tenlastelegging heeft verlaten door als pleegplaats Nederland bewezen te verklaren terwijl ten laste is gelegd dat het feit in Rotterdam is gepleegd.
tweede middelheeft primair betrekking op de afwijzing door het hof van een voorwaardelijk bij pleidooi gedaan verzoek de getuige-deskundige [A] te horen, die het deskundigenrapport heeft opgemaakt op grond waarvan het hof heeft geoordeeld dat het inbeslaggenomen materiaal in container 3 uit cocaïne bestond. Het middel bevat drie deelklachten.
waaromhet verzoek is afgewezen en dat daarbij niet kan worden volstaan met de overweging dat de rechter zich door het onderzoek op de zitting voldoende voorgelicht acht en de noodzaak van het horen van de getuige niet is gebleken. Heel uitvoerig hoeft naar mijn mening een dergelijke motivering niet te zijn. Als een verzoek in het geheel niet is onderbouwd dan kan daarvan melding worden gemaakt. Als het verzoek wel is onderbouwd, stel ik me voor dat de rechter in zijn motivering de redenen aangeeft waarom hij het niet noodzakelijk acht de getuige te horen. In dat verband heb ik mij afgevraagd of een motivering zoals het hof in casu heeft gegeven, wel afdoende is. Mij lijkt dat met de standaardoverweging “Gelet op de onderbouwing van de verzoeken acht het hof het horen van de genoemde getuigen niet noodzakelijk, terwijl ook overigens die noodzaak naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep niet aannemelijk is geworden” geen concrete invulling wordt gegeven aan de in het arrest van 4 juli 2017 aangescherpte motiveringsplicht, nu daaruit niet de feitelijke of juridische gronden blijken waar dat oordeel op is gebaseerd.