Het verweer van de verdediging dat opzet op het aanwezig hebben van hennep bij gebrek aan wetenschap bij verdachte niet kan worden bewezen, wordt op grond van het voorgaande verworpen.”
3.5. Voorts heeft de verdachte blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 13 juli 2016 (onder meer) het volgende verklaard:
“Op een gegeven moment stond de garage leeg. Ik gebruikte namelijk de schuur in plaats van de garage. Ik vroeg aan mijn man: "Als we de garage verhuren, wat dan?" Vanaf toen kwam ik niet meer in de garage. Ik heb nooit met mijn man gesproken over wie hem zou huren. Ik ging niet over de financiën en sprak daar niet met hem over. Ik vertrouwde hem en wist nergens van.
Mijn man heeft de garage verhuurd. Hij weet van de verdovende middelen af.
Ik heb af en toe het schuurtje gebruikt voor mijn fiets. In de schuur stonden wat kratachtige dingen, waardoor mijn fiets niet meer in de schuur paste. Ik heb mijn man daarnaar gevraagd. Mijn man zei dat die van die jongen was die de garage huurde. Ik wist niet waar ze voor dienden. Ik wist ook niet wie die jongen was. Ik heb nooit hennepgeur geroken. Ik vond het niet opmerkelijk. Mijn man had een sleutel van de garage. Ik niet. De sleutel hing wel binnen, maar het waren niet mijn sleutels. Ik zou niet weten welke van de sleutels van de garage was.
De garage staat best op grote afstand van het huis.”
3.6. De Hoge Raad bepaalde in het HIV-I arrest dat voor voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg is vereist dat ‘de verdachte willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat een gevolg zal intreden.’In een recente uitspraak heeft de Hoge Raad de overwegingen uit het HIV-I arrest herhaald en (verder) aangescherpt:
“ 3.4.
Bij de beoordeling van het middel moet het volgende worden vooropgesteld. Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg - zoals hier de dood - is aanwezig indien de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dat gevolg zal intreden. De beantwoording van de vraag of de gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregelen aanmerkelijk is te achten. Wat betreft de vraag of sprake is van bewuste aanvaarding van zo een kans heeft te gelden dat uit de enkele omstandigheid dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, niet zonder meer kan worden afgeleid dat hij de aanmerkelijke kans op het gevolg bewust heeft aanvaard, omdat ook sprake kan zijn van bewuste schuld. Bepaalde gedragingen kunnen echter naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg dat het - behoudens contra-indicaties - niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg bewust heeft aanvaard (vgl. HR 25 maart 2003, ECLI:NL:HR:2003:AE9049, NJ 2003/552).” Bij Opiumwetdelicten staat de ondergrens van voorwaardelijk opzet vaak ter discussie. In dergelijke gevallen kan het voorwaardelijk opzet aan de hand van algemene ervaringsregels worden ingevuld.Indien de verdachte ontkent het feit opzettelijk te hebben gepleegd zal, juist vanwege het gebruik van deze ervaringsregels, de kracht en onderbouwing van de ontkenning zwaar wegen.De Hullu signaleert in het gebruik van voorgenoemde ervaringsregels een dilemma in zowel theorie als praktijk. Enerzijds kan het gebruik van de algemene ervaringsregel leiden tot een moeilijke opgave voor de verdachte. Niet iedere ontkenning is immers altijd voldoende stevig te onderbouwen. Anderzijds kan zonder het gebruik van deze ervaringsregels in een groot aantal zaken bewijsproblemen ontstaan.Het voorgaande wil echter niet zeggen dat het gebruik van algemene ervaringsregels in alle gevallen afdoende is om het voorwaardelijk opzet (nader) in te vullen.
3.7. In het onderhavige geval heeft het hof het plegen van het opzettelijk aanwezig hebben van hennep als strafbaar gesteld in art. 3C Opiumwet bewezenverklaard. Uit de toelichting op het middel blijkt dat in het bijzonder wordt geklaagd dat ‘s hofs oordeel dat als uitgangspunt dient te gelden dat van eigenaren en bewoners van percelen mag worden verwacht dat zij zich bewust zijn van hetgeen zich op hun perceel bevindt onjuist dan wel onbegrijpelijk is.
Uit de onder 3.3 en 3.4 weergegeven bewijsvoering van het hof volgt dat er door de verbalisanten een (penetrante) hennepgeur is geconstateerd bij beide drogerijen (bewijsmiddel 1), dat zich in het woonhuis van verdachte sleutels bevonden waarmee toegang tot de garage kon worden verkregen waarin zich de actieve hennepdrogerij bevond, dat de verdachte (derhalve) toegang heeft gehad tot die sleutels (bewijsmiddel 4), dat in het schuurtje waarin zich een (mogelijk) geruimde hennepdrogerij bevond droogrekken en netten aanwezig waren waarop zich volgens de verbalisanten zichtbaar hennepresten bevonden (bewijsmiddel 1) en dat de verdachte heeft verklaard deze netten en rekken te hebben waargenomen (bewijsmiddel 5). Uit de nadere motivering van het hof blijkt dat het – samengevat - als uitgangspunt neemt dat van de eigenaar en tevens bewoner van een perceel mag worden verwacht dat zij op de hoogte is van hetgeen zich op het perceel bevindt. Hierin lees ik, anders dan de steller van het middel wil, dat het hof met die overweging kennelijk tot uitdrukking heeft willen brengen dat het de niet verder onderbouwde verklaring van de verdachte dat zij – samengevat – geen weet had van de aanwezigheid van hennep op haar perceel, niet geloofwaardig heeft geacht, wat verder ook zij van de reikwijdte van de door het hof gehanteerde algemene ervaringsregel. Immers, het hof kent in zijn nadere motivering (onder meer) belang toe aan de vastgestelde geur van hennep die zowel in de schuur als bij de garage aanwezig was en de waarneembare droogrekken en netten met hennepresten in de schuur. Het oordeel van het hof dat verdachte – kort gezegd – opzettelijk hennep aanwezig heeft gehad, is, indien de vastgestelde feiten en omstandigheden en de overwegingen van het hof in onderlinge samenhang worden bezien derhalve niet onjuist, noch ontoereikend gemotiveerd.
Ten overvloede merk ik op dat deze zaak bovendien verschilt van een, ook in het middel aangehaalde, zaak uit 2016waarin in het huis van verdachte een grote hoeveelheid cocaïne werd aangetroffen. De voorgestelde bewijsklacht in die zaak slaagde. Dat zag niet zozeer op het feit dat de verdachte niet bewust de aanwezigheid van de bewezenverklaarde drugs in het huis had aanvaard,maar op het bewezenverklaarde medeplegen. Daarover bleek uit de gebezigde bewijsmiddelen niets. In de onderhavige zaak speelt de bewijsvoering aangaande het deelnemen nu juist geen rol, daar het hof het plegen van het feit heeft bewezenverklaard.Daarover merk ik tot slot op dat, voor zover het middel daarover beoogt te klagen, het oordeel van het hof dat de verdachte als pleger van het strafbare feit is aangemerkt niet onjuist of onvoldoende is gemotiveerd. Voor de vervolging en bestraffing van deelnemers is niet vereist dat andere betrokkenen (gelijkelijk aan de deelnemer) vervolgbaar zijn of worden vervolgd.Met andere woorden: dat de echtgenoot van de verdachte als medepleger is betiteld in de tegen hem ingestelde vervolging is ten opzichte van de verdachte in onze zaak niet relevant.
3.8. Het middel is tevergeefs voorgesteld.