Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Bespreking van het cassatiemiddel
Onderdeel 1klaagt dat het hof in rov. 5.5 – 5.7 is uitgegaan van een onjuiste opvatting van de wettelijke vereisten voor een ondertoezichtstelling. Volgens de klacht legt het hof de nadruk op het (onvoldoende) effect van de vrijwillige hulp, althans op het niet bereiken van de gestelde doelen, maar verzuimt het hof vast te stellen of voldaan is aan het vereiste dat de noodzakelijke zorg niet of onvoldoende wordt geaccepteerd door de moeder.
light’) of van drang door middel van een voorwaardelijke ondertoezichtstelling. De maatschappelijke discussie is enigszins in een stroomversnelling geraakt door geruchtmakende gevallen van kindermishandeling [5] .
en in staatzijn de aangeboden zorg daadwerkelijk te accepteren. Dat ziet ook op de naleving van aan de ouders uitgebrachte adviezen. Ouders die ‘ja’ zeggen, maar ‘neen’ doen (al dan niet uit onmacht), kunnen een ondertoezichtstelling niet tegenhouden door een enkele bereidverklaring. Een andere opvatting zou tekort doen aan het belang van het kind. In de regel wordt geen zorg aangeboden die reeds heeft gefaald of, naar is te voorzien, zal falen. De tussenkomst van de rechter is echter noodzakelijk omdat discussie kan bestaan over de vraag welke zorg voor de minderjarige of voor zijn ouders noodzakelijk is om de concrete bedreiging weg te nemen.
in staatde noodzakelijke zorg te accepteren. Dit oordeel geeft m.i. niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Onderdeel 1 faalt.