Conclusie
1.Inleiding en vraagstelling
verifieerbare schulden) (hierna ook randnummers 4.35-4.36). Dit zou betekenen dat dan in beginsel minder actief beschikbaar is voor de voldoening van de geverifieerde schulden. Daarbij verdient opmerking dat de curator bij verkoop op basis van een overeenkomst met de pandhouder kan trachten dit gevolg te ondervangen door te bedingen dat de pandhouder de boedel vrijwaart van de omzetbelastingschuld (hierna randnummers 4.47-4.48 en 4.52).
2.Feiten
in samenwerking met de curatoren de bestuurder (…) het operationele gedeelte van de verkoop. Uiteraard. Wij gaan er echter vanuit dat het zwaartepunt bij de NTAB ligt aangezien de bank in feite als pandhouder uitverkoopt, maar daar waar nodig zal uiteraard afstemming met de boedel plaatsvinden. (…)
deze weekeen bedrag ter grootte van € 125K aan de boedel voldoen ter vergoeding van:
3.Het procesverloop
NJ2013/291 ( Koot /Tideman q.q.)). In dat arrest is uitgemaakt dat uit de Faillissementswet volgt dat boedelschulden slechts die schulden zijn die een onmiddellijke aanspraak geven jegens de faillissementsboedel, (1) hetzij ingevolge de wet, (2) hetzij omdat zij door de curator in zijn hoedanigheid zijn aangegaan, (3) hetzij omdat zij een gevolg zijn van een handelen van de curator in strijd met een door hem in zijn hoedanigheid na te leven verbintenis of verplichting.
4.Algemeen kader
Parate executie van een pandrecht
civielrechtelijke karaktervan een executoriale verkoop. Bij een executoriale verkoop door de pandhouder is het de pandhouder die het goed aan de executiekoper levert. De pandhouder doet dat krachtens een eigen recht dat hij heeft verkregen van de pandgever. Wel wordt de pandgever door deze executoriale verkoop in zijn vermogen geraakt in die zin dat het goed uit zijn vermogen geraakt en overgaat naar het vermogen van de executiekoper. [23]
concursusvan schuldeisers kan verhalen. [24] Ook blijft de pandhouder, wanneer hij conform art. 57 Fw Pro executeert, buiten de omslag van algemene faillissementskosten (art. 182 Fw Pro). [25] Wel kan een boedelbijdrage worden verlangd voor onder meer het behoud van de zaak, de verkoophandeling en de toetsing van de voorgestelde transactie. [26]
lossing(art. 3:249 lid 2 BW Pro en art. 58 lid 2 Fw Pro). [27] Van lossing is sprake als (de curator van) de pandgever of een derde de schuld waarvoor het pandrecht geldt (alsmede de eventueel reeds gemaakte kosten van executie) aan de pandhouder voldoet teneinde uitwinning van het verpande goed door de pandhouder te voorkomen. [28]
Toestemming voorzieningenrechter voor een andere wijze van verkoop.Op verzoek van de pandhouder of de pandgever kan de voorzieningenrechter bepalen dat het pand zal worden verkocht op een van art. 3:250 BW Pro afwijkende wijze (art. 3:251 lid 1 BW Pro). Het gaat hierbij meestal om onderhandse verkoop.
Toestemming voorzieningenrechter voor toedeling aan pandhouder tegen een vastgesteld bedrag.Ook kan de voorzieningenrechter op verzoek van de pandhouder vaststellen dat het pand voor een door de voorzieningenrechter vast te stellen bedrag aan de pandhouder als koper zal verblijven (art. 3:251 lid 1 BW Pro).
Afwijkende wijze van verkoop krachtens overeenkomst tussen pandhouder en pandgever.Tot slot kunnen pandhouder en pandgever, nadat de pandhouder bevoegd is geworden tot verkoop over te gaan, een van art. 3:250 BW Pro afwijkende wijze van verkoop overeenkomen (art. 3:251 lid 2 BW Pro). Als op het verpande goed een ander beperkt recht of een beslag rust, is de medewerking van deze beperkt gerechtigde of beslaglegger vereist (art. 3:251 lid 2 BW Pro). Deze wijze van verkoop wordt ook wel aangeduid als
oneigenlijke lossing.
oneigenlijke lossing) – net als een executoriale verkoop in het openbaar en een onderhandse verkoop met toestemming van de voorzieningenrechter – kwalificeert als een vorm van parate executie.
Aspecten van omzetbelasting bij parate executie
Mag de zekerheidsgerechtigde zich verhalen op de omzetbelasting?
Op welke partij rust de verplichting tot afdracht?
Probleem(…)
Faillissementsrechtelijke duiding omzetbelastingschuld bij parate executie
boedelschulden) (art. 25 lid 1 Fw Pro), (ii) schulden die hun grondslag vinden in een rechtsverhouding die ten tijde van het faillissement bestond [53] (
faillissementsschuldenof
verifieerbare schulden [54] ) (art. 26 en Pro 110 e.v. Fw) en (iii) schulden die ten tijde van het faillissement nog niet bestonden en geen aanspraak geven op de boedel (
niet verifieerbare schulden). Daarmee corresponderen drie types vorderingen: boedelvorderingen, faillissementsvorderingen (ook wel verifieerbare vorderingen genoemd) en niet-verifieerbare vorderingen.
boedelschuldenworden zo spoedig mogelijk uit de baten betaald, voordat uitkering aan de geverifieerde schuldeisers plaatsvindt; [55]
geverifieerde schulden, doorgaans: niet volledig of zelfs maar voor een gering gedeelte, voldaan;
niet-verifieerbaaren vallen geheel buiten het faillissement
.Voor deze schulden is de gefailleerde uitsluitend aansprakelijk met zijn buiten het faillissementsbeslag gebleven vermogen. In de praktijk zal dan – zeker bij een rechtspersoon – helemaal geen verhaal plaatsvinden. [56]
verifieerbare schuldenniet aan de orde. Immers gaat het om de verkoop en levering van roerende zaken op de voet van art. 3:251 BW Pro na het faillissement. De omzetbelastingschulden – die door de levering ontstaan – vinden dus niet hun grondslag in een rechtsverhouding die reeds ten tijde van het faillissement aanwezig was. [57] Dit betekent dat er hetzij sprake is van een vordering die een onmiddellijke aanspraak geeft op de faillissementsboedel (boedelvordering, hiervoor (i)) hetzij van een vordering die helemaal buiten het faillissementsbeslag valt (niet-verifieerbare vordering, hiervoor (iii)). Het belang van de beantwoording van de vragen zowel voor de Ontvanger als voor de curator is daarmee evident.
hetzijzijn aangegaan door de curator (categorie sub b)
hetzijhet gevolg zijn van een handelen van de curator in strijd met een door hem in zijn hoedanigheid na te leven verbintenis of verplichting (categorie sub c). Een belangrijke reden voor de koerswijziging van Uw Raad lijkt te zijn geweest dat vorderingen die voortvloeien uit de opzegging door de curator van een overeenkomst die door de schuldenaar is aangegaan niet als boedelvorderingen behoren te worden aangemerkt. Die koerswijziging heeft echter aanleiding gegeven tot tal van nieuwe vragen, zoals onder meer blijkt uit de drie aanhangige prejudiciële procedures (zie hiervoor de inleiding en voetnoot 2 van deze conclusie).
wilvan de curator nooit echt zijn gericht op het aangaan van op het aangaan van een schuld. De curator zal de door hem ingeschakelde accountant niet
willenbetalen, net zo min als hij de desinvesteringsbetaling zal willen voldoen. Hij zal er niet op uit zijn om de kosten te dragen; het is meer een noodzakelijk kwaad. Als hij de accountant inschakelt of als hij een overeenkomst gestand doet, neemt hij voor lief dat daar bepaalde kosten aan zijn gebonden [lees: verbonden]. Dit zal hij bij zijn belangenafweging voorafgaand aan zijn keuze omtrent zijn handelswijze al hebben meegenomen.”
de curatorals verkoper optreedt, (2) onderhandse verkoop op grond van art. 3:251 lid 2 BW Pro waarbij
de pandhouderals verkoper optreedt, (3) onderhandse verkoop op grond van een overeenkomst die voor het faillissement is aangegaan, (4) onderhandse verkoop op grond van art. 3:251 lid 1 BW Pro met toestemming van de voorzieningenrechter op verzoek van
de curatoren (5) onderhandse verkoop op grond van art. 3:251 lid 1 BW Pro met toestemming van de voorzieningenrechter op verzoek van
de pandhouder. Daarna zal ik ingaan op de rechtsgevolgen van andere betrokkenheid van de curator bij de verkoop (vraag 2d) en de invloed van een voortzetting van het bedrijf ex art. 98 en Pro 173a Fw (vraag 3).
als verkoperoptreedt. Dat sluit aan bij de overweging in het arrest Koot /Tideman q.q. dat onder het aangaan van een schuld door de curator in deze zin ‘is te verstaan dat de curator deze schuld op zich neemt bij een rechtshandeling, doordat zijn wil daarop is gericht.’ De curator verplicht zich met de verkoop immers tot levering en uit die levering vloeit de omzetbelastingschuld rechtstreeks voort. Het aannemen van een boedelschuld behoeft in een zodanig geval ook niet ten koste te gaan van de andere crediteuren. De verkoop berust immers op overeenstemming tussen de curator en de pandhouder ex art. 3:251 lid 2 BW Pro en het staat de curator dan ook vrij te bedingen dat de pandhouder de boedel vrijwaart voor de omzetbelastingschuld (zoals in de onderhavige zaak ook is gebeurd [73] ).
pandhouderals verkoper optreedt. Ik licht dat toe.
5.Beantwoording van de prejudiciële vragen
NJ1984/228 (Rentekas)) mede verhaalt op de in de opbrengst begrepen omzetbelasting, moet als boedelschuld worden aangemerkt wanneer deze verkoop berust op een overeenkomst tussen de curator en de executiekoper, een overeenkomst tussen de curator en de pandhouder of sprake is van een andere handeling waaruit blijkt dat de verkoop op een keuze (de wil) van de curator berust.
de curatorverleende toestemming voor een van art. 3:250 BW Pro afwijkende wijze van verkoop, is de omzetbelastingschuld als boedelschuld te kwalificeren. In het geval de verkoop plaatsvindt na een door de voorzieningenrechter op verzoek van
de pandhouderverleende toestemming voor een van art. 3:250 BW Pro afwijkende wijze van verkoop, is de omzetbelastingschuld
nietals boedelschuld aan te merken, tenzij de verkoop (naast de door de pandhouder verkregen toestemming) mede berust op een overeenkomst tussen de curator en de executiekoper, een overeenkomst tussen de curator en de pandhouder of sprake is van een andere handeling van de curator waaruit blijkt dat de verkoop op een keuze van de curator berust.