Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Bespreking van het cassatiemiddel
Onderdeel Imondt uit in de klacht dat het oordeel in rov. 1.8, dat in dit geval is voldaan aan de in art. 15 lid 2 Wet Pro Bopz genoemde vereisten voor een machtiging tot voortgezet verblijf, onjuist is, althans onbegrijpelijk nu betrokkene – blijkens de in het middelonderdeel genoemde gedingstukken, waaronder het rapport van de deskundige [betrokkene 4] − geen stoornis en geen daaruit voortvloeiend gevaar heeft laten zien sinds 10 februari 2017.
allegedragingen van de betrokkene beheerst – ik geef slechts het voorbeeld van suïcidegevaar −, noch de eis dat de symptomen van de stoornis permanent waarneembaar zijn.