ECLI:NL:HR:2000:AA4771

Hoge Raad

Datum uitspraak
11 februari 2000
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
R99/213HR
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • Herrmann
  • Van der Putt-Lauwers
  • Fleers
  • Heemskerk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizenArt. 78 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
Verwijzingen
3 uitgaand · 12 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging beschikking voorlopige machtiging psychiatrisch verblijf wegens onvoldoende motivering

De zaak betreft een verzoek tot cassatie tegen een beschikking van de rechtbank Amsterdam die een voorlopige machtiging verleende voor het voortduren van het verblijf van verzoeker in een psychiatrisch ziekenhuis. De rechtbank had geoordeeld dat betrokkene onvoldoende bereid was tot vrijwillig verblijf, ondanks gemotiveerde verklaringen van betrokkene en zijn advocaat dat hij wel bereid was mee te werken.

De Hoge Raad stelt vast dat de rechtbank zich bij haar oordeel heeft gebaseerd op een standaardmotivering zonder nadere onderbouwing, terwijl uit het proces-verbaal blijkt dat betrokkene gemotiveerd zijn bereidheid tot verblijf heeft betuigd. De passage uit het proces-verbaal waarin de rechter een andere mening uitspreekt, mag niet worden meegewogen omdat deze niet in de beschikking zelf is opgenomen.

De Hoge Raad oordeelt dat de rechtbank haar beschikking had moeten motiveren met een duidelijke reden waarom zij tot het oordeel kwam dat betrokkene onvoldoende bereid was tot verblijf. Bij gebrek aan deze motivering vernietigt de Hoge Raad de beschikking en verwijst de zaak terug naar de rechtbank Amsterdam voor verdere behandeling en beslissing.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de beschikking van de rechtbank wegens onvoldoende motivering en verwijst de zaak terug voor verdere behandeling.

Uitspraak

11 februari 2000
Eerste Kamer
Rek.nr. R99/213HR
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[Verzoeker],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKER tot cassatie,
advocaat: mr G.E.M. Later.
1. Het geding in feitelijke instantie
De Officier van Justitie in het arrondissement Amsterdam heeft op 25 oktober 1999 onder overlegging van een op 20 oktober 1999 ondertekende geneeskundige verklaring een vordering ingediend bij de Rechtbank aldaar tot het verlenen van een voorlopige machtiging tot het doen voortduren van het verblijf van verzoeker tot cassatie - verder te noemen: verzoeker - in een psychiatrisch ziekenhuis.
Nadat de Rechtbank verzoeker, bijgestaan door zijn advocaat, en de behandelend arts op 28 oktober 1999 en 11 november 1999 had gehoord, heeft zij bij beschikking van 11 november 1999 de voorlopige machtiging verleend voor de duur van drie maanden.
De beschikking van de Rechtbank is aan deze beschikking gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen de beschikking van de Rechtbank heeft verzoeker beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De conclusie van de Advocaat-Generaal Langemeijer strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot verwijzing van de zaak naar de Rechtbank te Amsterdam.
3. Beoordeling van het middel
3.1 Het middel keert zich met motiveringsklachten tegen het oordeel van de Rechtbank dat uit de overgelegde stukken, de gehouden verhoren van 28 oktober 1999 en 11 november 1999 en de verkregen inlichtingen is gebleken dat bij betrokkene onvoldoende sprake is van bereidheid tot verblijf in een psychiatrisch ziekenhuis.
3.2 Bij de beoordeling van het middel moet het volgende worden vooropgesteld. In het proces-verbaal van de terechtzitting van 11 november 1999 is na de woorden “De rechtbank heeft de zitting geschorst voor beraad” een weergave opgenomen van de motivering die de rechter, klaarblijkelijk ter verklaring van zijn beschikking aan de betrokkene, heeft uitgesproken, maar die niet in de beschikking zelf is opgenomen. Die weergave houdt onder meer in: “Betrokkene is op de goede weg en is bereid mee te werken aan de behandeling, maar de arts is een andere mening toegedaan. Mede gelet op de medische geschiedenis van betrokkene heb ik op dit moment onvoldoende vertrouwen in een vrijwillige medewerking aan verdere behandeling.” Bij de beoordeling van de in het middel vervatte motiveringsklachten moet deze passage van het proces-ver-baal buiten beschouwing blijven (HR 16 mei 1997, nr. 8963, NJ 1998, 221).
3.3 Het middel treft doel. Blijkens het proces-verbaal en het aanvullend proces-verbaal van de terechtzitting van 28 oktober 1999 heeft betrokkene gemotiveerd naar voren gebracht dat hij bereid is te verblijven in het psychiatrisch ziekenhuis, en is de behandeling toen aangehouden tot 11 november 1999 om te bezien of met betrokkene alsnog overeenstemming kan worden bereikt “over de behandeling en of de vrijwilligheid waarvan hij nu blijk geeft bestendig is”. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting van 11 november 1999 hebben betrokkene en zijn advocaat andermaal gemotiveerd aangevoerd dat betrokkene bereid is in het psychiatrisch ziekenhuis te verblijven. In het licht van dit een en ander had de Rechtbank niet mogen volstaan met de onder 3.1 vermelde standaardmotivering, maar had zij in haar beschikking ervan moeten doen blijken op grond waarvan zij tot het oordeel is gekomen dat bij betrokkene onvoldoende sprake is van voormelde bereidheid, nu uit de stukken zonder nadere redengeving niet te begrijpen is wat te dezer zake de Rechtbank voor ogen heeft gestaan.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de beschikking van de Rechtbank te Amsterdam van 11 november 1999;
verwijst de zaak naar die Rechtbank ter verdere behandeling en beslissing.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren Herrmann, als voorzitter, Van der Putt-Lauwers en Fleers, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer Heemskerk op 11 februari 2000.