Conclusie
eerste middelklaagt dat in het proces-verbaal van de terechtzitting is opgenomen dat de raadsman heeft gedupliceerd en dat aan de verdachte het recht is gelaten het laatste te spreken, maar dat daarin niet is weergegeven wat bij die gelegenheden is gezegd.
A.
EN
tweede middelklaagt dat het onder 1 en 2 bewezenverklaarde opzet op de valsheid en het oogmerk om de geschriften als echt en onvervalst te (doen) gebruiken niet zonder meer uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid, zodat de bewezenverklaring niet voldoende met redenen is omkleed.
Daarnaast houden de voor het bewijs gebruikte verklaringen van de verdachte in, dat hij de bedrijven [A] BV en [B] BV samen met [betrokkene 3] had, dat hij als enige gemachtigd was voor de bankrekeningen van [A] BV en [B] BV (bewijsmiddel 3), dat hij inzicht had in alle dagafschriften van [B] BV en zag dat er geld binnenkwam en weer uitging (bewijsmiddel 65).
derde middelkomt met drie klachten op tegen de bewezenverklaring van het onder 3A en 3B tenlastegelegde. In de eerste plaats wordt geklaagd dat het hof bij beide bewezenverklaringen geen keuze heeft gemaakt tussen het verwerven, voorhanden hebben en/of overdragen van geldbedragen terwijl dit wel van belang is voor de kwalificeerbaarheid van hetgeen is bewezen verklaard, in de tweede plaats kan het overdragen van gelden die contant op desbetreffende rekeningen zijn gestort niet uit de bewijsmiddelen blijken en tot slot is het medeplegen van het onder 3B1 bewezenverklaarde evenmin naar de eis der wet met redenen omkleed.
In de periode van 19 februari 2004 tot en met 3 maart 2009 zijn 81 geldbedragen gestort op de bankrekening met rekeningnummer [001] tot een totaalbedrag van € 129.550,00 (bewijsmiddel 54). In de periode van 22 juni 2005 tot en met 13 maart 2006 zijn vijftien geldbedragen overgeboekt vanaf deze bankrekening tot een totaalbedrag van € 3.787,25 (bewijsmiddel 57).
Ten overvloede merk ik op dat, indien daadwerkelijk sprake zou zijn van vermenging van de gestorte, van misdrijf afkomstige geldbedragen met legaal vermogen, het op de bankrekeningen aanwezige vermogen en elke overboeking uit dat vermogen zou kunnen worden aangemerkt als gedeeltelijk van misdrijf afkomstig. [6] Het overboeken en daarmee overdragen van gelden vanaf de bankrekeningen zou daarom – afgezien van de formulering van de onderhavige tenlastelegging – naar mijn mening zonder meer als witwassen kunnen worden gekwalificeerd.
vierde middelkomt met twee klachten op tegen het oordeel van het hof dat geen sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep.