Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de middelen
3.Beslissing
10 oktober 2017.
Hoge Raad
In deze zaak heeft de Hoge Raad het beroep in cassatie van verdachte verworpen tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Het centrale geschil betrof de vraag of in het proces-verbaal van de terechtzitting de zakelijke inhoud van de dupliek van de raadsman en het laatste woord van de verdachte moet worden opgenomen.
De Hoge Raad verduidelijkt dat volgens artikel 81, eerste lid, van het Wetboek van Rechtsvordering en artikel 326, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering, indien tijdens de dupliek of het laatste woord een nieuw verweer of standpunt wordt ingebracht, de raadsman het verzoek kan doen om dit in het proces-verbaal op te nemen. Dit verzoek is de verantwoordelijkheid van de raadsman en niet van de rechter.
De Hoge Raad achtte nadere motivering niet nodig omdat de middelen geen rechtsvragen opriepen die van belang zijn voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling. Het arrest bevestigt de bestaande rechtspraak en benadrukt de rol van de raadsman bij het verzoek tot opname van nieuwe verweren in het proces-verbaal.
Uitkomst: Het beroep in cassatie van verdachte wordt verworpen.