Conclusie
eerste middelklaagt over het opleggen van een hoofdelijke betalingsverplichting aan de betrokkene voor het gehele bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel.
hoofdelijkwordt veroordeeld, berust op een kennelijke misslag. De Hoge Raad kan het dictum aldus verbeterd lezen, dat hierin het volgende staat: “Legt de veroordeelde de hoofdelijke verplichting op tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 28.158, 13 (achtentwintigduizendhonderdachtenvijftig euro en dertien cent)”. Met een op deze wijze verbeterde lezing komt aan de klacht de feitelijke grondslag te ontvallen.
tweede middelbehelst de klacht dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden.