In deze zaak is verdachte veroordeeld door het Gerechtshof Amsterdam voor het rijden onder invloed van alcohol met een geldboete, hechtenis en ontzegging van rijbevoegdheid. Verdachte stelde in cassatie dat het Openbaar Ministerie niet ontvankelijk was wegens een vervolgingsbeletsel, namelijk de verplichting tot deelname aan het alcoholslotprogramma (asp), een bestuursrechtelijke maatregel.
Het hof verwierp dit verweer en stelde dat het opleggen van het asp geen strafrechtelijke vervolging betreft in de zin van het EVRM en dat het asp niet punitief van aard is. De Hoge Raad bevestigde dit oordeel, maar nuanceerde dat het asp pas een vervolgingsbeletsel vormt als de maatregel onherroepelijk is geworden. In deze zaak was dat niet het geval omdat het beroep van verdachte tegen het asp gegrond werd verklaard, waardoor de maatregel niet onherroepelijk was.
De Hoge Raad benadrukte dat het beginsel van ne bis in idem (niet twee keer vervolgd worden voor hetzelfde feit) alleen geldt als de bestuursrechtelijke maatregel onherroepelijk is. Tijdelijke maatregelen zoals het asp zonder onherroepelijkheid zijn onvoldoende om strafvervolging te blokkeren. Het middel van cassatie faalde daarom en het bestreden arrest bleef in stand.