Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.De bestreden uitspraak
3.Beoordeling van het middel
4.Slotsom
5.Beslissing
8 september 2015.
Hoge Raad
De zaak betreft een verdachte die op 26 april 2013 te Wageningen werd vervolgd wegens het niet meewerken aan een ademonderzoek, in strijd met artikel 8 van Pro de Wegenverkeerswet 1994. Tegelijkertijd was aan de verdachte de verplichting tot deelname aan het alcoholslotprogramma (asp) opgelegd vanwege hetzelfde feit.
In hoger beroep werd de verdachte veroordeeld tot een geldboete en ontzegging van de rijbevoegdheid. De verdediging stelde dat sprake was van dubbele vervolging, omdat de verdachte al was verplicht gesteld tot deelname aan het asp. De Hoge Raad bevestigt in dit arrest dat het principe van ne bis in idem geldt en dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk is in de vervolging indien de verdachte al onherroepelijk tot deelname aan het asp is verplicht gesteld.
De Hoge Raad verwijst naar een eerder arrest van 3 maart 2015 waarin dit uitgangspunt is geformuleerd en benadrukt dat dit ook geldt voor weigering mee te werken aan een ademonderzoek. Omdat de uitspraak van het hof nog niet onherroepelijk was en het cassatieberoep tijdig was ingesteld met voldoende onderbouwing, vernietigt de Hoge Raad het arrest en verklaart het OM niet-ontvankelijk in de vervolging.
De Hoge Raad benadrukt dat procesdeelnemers niet hadden kunnen voorzien dat dubbele vervolging niet was toegestaan, waardoor in zaken met nog niet onherroepelijke uitspraken vóór 3 maart 2015 alsnog toepassing wordt gegeven aan dit principe. Hiermee wordt duidelijkheid verschaft over de strafrechtelijke behandeling van het asp en de weigering van ademonderzoek.
De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof, behoudens het vonnis van de politierechter, en verklaart het OM niet-ontvankelijk in de vervolging van de verdachte wegens dubbele vervolging.
Uitkomst: Het Openbaar Ministerie is niet-ontvankelijk verklaard wegens dubbele vervolging in verband met het alcoholslotprogramma en weigering ademonderzoek.