AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Gebruik van ANPR-gegevens door Belastingdienst voor controle privégebruik auto van de zaak rechtmatig
Belanghebbende kreeg naheffingsaanslagen en boetes opgelegd wegens onvoldoende bewijs dat hij minder dan 500 kilometer privé met de aan hem ter beschikking gestelde auto had gereden. De Inspecteur gebruikte ANPR-gegevens van de Politie om de rittenadministratie te controleren. Belanghebbende voerde aan dat het gebruik van deze gegevens in strijd was met privacywetgeving en dat er geen wettelijke grondslag was voor de gegevensverzameling.
De Rechtbank en het Hof oordeelden dat belanghebbende onvoldoende bewijs leverde voor zijn stellingen en dat de Belastingdienst de ANPR-gegevens rechtmatig mocht gebruiken. Het Hof stelde vast dat belanghebbende met de verklaring geen privégebruik zelf controle toeliet en dat het gebruik van ANPR-gegevens proportioneel en subsidiariteit in acht nemend was. Ook werd geoordeeld dat de belastingrechter niet bevoegd is om de werkwijze van de Inspecteur aan de Wet bescherming persoonsgegevens te toetsen.
In cassatie werden meerdere klachten van belanghebbende afgewezen, waaronder over de wettelijke grondslag, proportionaliteit, bewaartermijn en boetes. De conclusie van de Advocaat-Generaal was dat het beroep ongegrond moest worden verklaard. De Hoge Raad bevestigde dat de Belastingdienst de ANPR-gegevens op de wijze zoals vastgesteld mag gebruiken voor fiscale controles.
Uitkomst: Het beroep in cassatie van belanghebbende wordt ongegrond verklaard en de naheffingsaanslagen en boetes blijven in stand.
Voetnoten
4.Deze bepaling luidt: “Met hechtenis van ten hoogste twee maanden of geldboete van de derde categorie wordt gestraft hij die, gebruik makende van een daartoe aangebracht technisch hulpmiddel waarvan de aanwezigheid niet op duidelijke wijze kenbaar is gemaakt, van een persoon, aanwezig op een voor het publiek toegankelijke plaats, wederrechtelijk een afbeelding vervaardigt.”
5.Artikel 8:69, lid 1, Awb. Dit voorschrift is van openbare orde (zie
6.Proces-verbaal van 27 maart 2015 van de zitting van het Hof, p. 2-3.
7.Zie onderdeel 6.24 van de gemeenschappelijke bijlage.
8.Zie onderdeel 6.26 van de gemeenschappelijke bijlage.
9.Ten overvloede merk ik op dat de bestuursrechter op grond van artikel 8:69, lid 2, Awb verplicht is om de rechtsgronden aan te vullen (i.e. uitspraak doet op grondslag van het beroepschrift en de stukken van het geding) en tevens bevoegd is om de feiten aan te vullen (artikel 8:69, lid 3, Awb).
10.Zie hoofdstuk 6 van de bijlage bij deze conclusie.
11.Zie de onderdelen 4.4 t/m 4.9 en 6.33 t/m 6.35 van de bijlage bij deze conclusie.
12.Ik verwijs naar hetgeen in de bijlage is opgenomen over toepassing van het ‘zozeer indruist’-criterium in hoofdstuk 4.
13.Dit artikel luidt: ‘Met hechtenis van ten hoogste twee maanden of geldboete van de derde categorie wordt gestraft hij die, gebruik makende van een daartoe aangebracht technisch hulpmiddel waarvan de aanwezigheid niet op duidelijke wijze kenbaar is gemaakt, van een persoon, aanwezig op een voor het publiek toegankelijke plaats, wederrechtelijk een afbeelding vervaardigt.’
15.Op grond van artikel 13bis, lid 14, Wet LB 1964 (tekst 2006) moet een werknemer een verzoek tot intrekking doen van de verklaring geen privégebruik, zodra de auto op kalenderjaarbasis voor meer dan 500 kilometer voor privédoeleinden wordt gebruikt.