Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Inleiding
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
3.Het geding in cassatie
4.Verplaatsing onderneming met behoud van identiteit?
BNB2010/213. [4] In die zaak exploiteerde de belanghebbende in maatschapsverband een melkveehouderij in Nederland. Eind 1998 heeft de belanghebbende alle activa en passiva van de melkveehouderij in een door hem opgerichte BV gebracht en een beroep gedaan op de regeling voor geruisloze inbreng ex artikel 18 Wet Pro IB 1964, hetgeen door de inspecteur werd geweigerd. Begin 2000 verkocht de BV de in Nederland gelegen onroerende zaken en in december 2000 het melkquotum. Eind oktober 2000 heeft de BV een melkveehouderij in Duitsland gekocht. Bij het hof was in geschil of belanghebbendes beroep op geruisloze inbreng terecht was geweigerd. Het hof oordeelde dat belanghebbende een stappenplan had gevolgd dat was gericht op liquidatie van de onderneming in Nederland en de start van een nieuwe melkvee(onderneming) in Duitsland, zodat de inspecteur terecht de toepassing van de geruisloze inbreng had geweigerd. Het Duitse bedrijf kon naar het oordeel van het hof (gelet op onder meer de verschillen in ligging en omvang van het bedrijf) niet als voortzetting van het Nederlandse bedrijf worden beschouwd. [5]
BNB2010/213 ging ik uitgebreid in op het onderscheid tussen beëindiging en verplaatsing van een onderneming:
BNB2010/214) [6] was evenals in HR
BNB2010/213 in geschil of de verplaatsing van de bedrijfsuitoefening (een melkveehouderijbedrijf) leidde tot staking of tot voortzetting van de onderneming. Anders dan in HR
BNB2010/213 zag het geschil in HR
BNB2010/214 op de toelaatbaarheid van het vormen van een herinvesteringsreserve ter zake van de verkoop van een melkquotum in het jaar 2004. [7] De Hoge Raad oordeelde als volgt: [8]
BNB2012/286 [9] dat ter beantwoording van de vraag of sprake is van staking van een onderneming geen doorslaggevend belang toekomt aan het feit dat een verplaatste onderneming soortgelijk is aan de onderneming op de oude locatie. De Hoge Raad oordeelde als volgt:
5.Uitgestelde winstneming bij overdracht tegen winstrecht
BNB1957/266 [10] verkocht een apotheekhoudend arts zijn praktijk tegen recht op een gedeelte van de winst van de koper gedurende acht jaar. In geschil was of baten (die na de overdracht zijn ontvangen) nog als bedrijfswinst zijn te beschouwen, anders gezegd: in welke gevallen goed koopmansgebruik toelaat de winstneming uit te stellen. De Hoge Raad oordeelde:
huurkoopvan een onderneming. De belanghebbende in deze zaak (HR
BNB1981/143) [11] wilde de overdrachtswinstneming uitstellen totdat de ontvangen termijnen de boekwaarden zouden overtreffen. De Hoge Raad oordeelde in dit arrest dat winstuitstel toelaatbaar was, al zij het onder voorbehoud van het zogenoemde ‘gerede-kanscriterium’:
Stevensin een noot [12] opmerkt heeft de Hoge Raad het ten aanzien van winstneming bij
huurkoopgeldende criterium – luidende dat uitgestelde winstneming toelaatbaar is indien er indien er een gerede kans aanwezig is dat ten gevolge van het eigendomsvoorbehoud de exploitatie van de onderneming in de toekomst weer voor rekening van de verkoper zal geschieden – niet overgenomen in HR
BNB1984/58. [13] In dit arrest oordeelde de Hoge Raad onder meer:
BNB1990/236 [14] geoordeeld over de vraag of een overdrager van een onderneming als winstgenieter ondernemer of als niet-ondernemer kwalificeerde. In deze zaak was de belanghebbende niet gerechtigd in de stille reserves van een door haar overgedragen apotheek. [15] Als onderdeel van de overdrachtsprijs had de belanghebbende een recht op een aandeel in de (jaar)winst bedongen bij de koper (een andere onderneming). Op basis van de bovenstaande arresten inzake goed koopmansgebruik heeft de belanghebbende de winst tot uitdrukking gebracht in het jaar waarin de winstaandelen werden toegekend. Volgens de Hoge Raad was de winst behaald met de overdracht van haar (vroegere) onderneming, omdat de belanghebbende niet meer gerechtigd was tot de stille reserves en dat de overgenomen onderneming niet voor haar rekening werd gedreven. De termijnen van het winstrecht vormden voor haar slechts nagekomen bedrijfsbaten.
BNB2011/34. [18] De belanghebbende in die zaak dreef met haar echtgenoot een melkveebedrijf in maatschapsverband. De door de belanghebbende en haar echtgenoot opgerichte BV is in 1999 toegetreden tot de maatschap. In het jaar 2000 is door de echtgenoten de economische eigendom van de tot het melkveebedrijf behorende onroerende zaken overgedragen aan de BV tegen lijfrente en de resterende bedrijfsmiddelen tegen een winstrecht. In 2001 zijn de belanghebbende en haar echtgenoot naar Denemarken verhuisd, waar zij samen met de BV voor gezamenlijke rekening en risico wederom een agrarische onderneming hebben gedreven.
afzonderlijkebedrijfsmiddelen worden overgedragen tegen een winstrecht.
BNB2011/34 is volgens de noot van
Essersontleend aan het arrest HR
BNB1990/75. [21] In deze zaak heeft de Hoge Raad geoordeeld over de toelaatbaarheid van activering van een verkregen recht op vergoeding voor bedrijfsprestaties volgens goed koopmansgebruik. Blijkens dit arrest luidt de hoofdregel dat goed koopmansgebruik bij de verkrijging van een recht op vergoeding wegens levering eist dat de ondernemer een actiefpost opneemt in zijn balans aan het einde van dat jaar. De uitzondering op deze hoofdregel is het voorzichtigheidsbeginsel. Kort gezegd oordeelde de Hoge Raad dat het voorzichtigheidsbeginsel niet aan activering in de weg staat indien een redelijke schatting kan worden gemaakt van de te verwachte vergoedingen. De Hoge Raad overwoog:
BNB2011/34 oordeelde hof Leeuwarden [22] in 2012 ten aanzien van een agrariër dat de realisatie van overdrachtswinst – behaald bij inbreng in een maatschap – niet kon worden uitgesteld door middel van winstrechten. In deze zaak achtte het hof (evenals in de onderhavige zaak en in HR
BNB2011/34) het niet aannemelijk dat het winstrecht stond tegenover de overdracht van een bedrijfsmiddel (of onderdeel van een onderneming die door de verkoper werd gedreven). In dat geval is blijkens HR
BNB2011/34 uitstel van winstneming toelaatbaar indien geen redelijke schatting kan worden gemaakt van de waarde van het winstrecht. Verrassend genoeg gaat het hof (in tegenstelling tot in de onderhavige zaak) [23] nietin op de ‘redelijke-schattinguitzondering’, maar valt uit r.o. 4.16 af te leiden dat volgens het hof niet aan deze uitzondering is voldaan. [24]
6.Behandeling van de middelen
BNB2010/213) geoordeeld dat voor de vraag of een (in dat geval agrarische) onderneming is gestaakt, de volgende criteria van belang zijn:
BNB2011/34, waar in geschil was (in een qua feiten vergelijkbare casus als de onderhavige) of de winstneming ter zake van een bedongen winstrecht toelaatbaar was. De Hoge Raad heeft ter beantwoording van die vraag geoordeeld [25] dat uitstel van winstneming bij verkrijging van een winstrecht niet toelaatbaar is indien een bedrijfsmiddel is overgedragen tegen een recht op de winst uit de onderneming die niet door de verkoper werd gedreven; dit lijdt uitzondering indien geen redelijke schatting kan worden gemaakt van de waarde van het winstrecht. Indien belanghebbendes eerste middel niet gegrond wordt bevonden (er is wél sprake van een staking van belanghebbendes onderneming), moet worden geoordeeld dat het winstrecht is verkregen in een onderneming die niet door de verkoper werd gedreven. Uitstel is dan in beginsel niet toelaatbaar.