Conclusie
1.Feiten en procesverloop
Stardust Marine [7] moet worden uitgelegd.
“in het concrete geval”bij de vaststelling van de desbetreffende maatregel is betrokken, waarbij het dan zou moeten gaan om een “
reële, feitelijke betrokkenheid van de overheid bij de litigieuze maatregel”. In een geval als het onderhavige - waarin de (enig) bestuurder van HbR bij de garantieverlening eigenmachtig is opgetreden, de garanties bewust geheim heeft gehouden en de statutaire voorschriften van HbR heeft genegeerd door geen goedkeuring van de raad van commissarissen te vragen, hij voor zijn handelen strafrechtelijk is veroordeeld, en waarin voorts moet worden aangenomen dat de Gemeente (en de Staat) de garantieverlening niet heeft (hebben) gewild - zou deze uitleg volgens de Hoge Raad meebrengen dat de garantieverlening, hoewel civielrechtelijk bindend voor HbR, niet aan de Gemeente (en daarmee aan de Staat) kan worden toegerekend als vereist voor toepassing van de staatssteunregels [8] .
Stardust Marinebedoelde betrokkenheid van de overheid bij de vaststelling van de desbetreffende maatregel voldoende is, mede gelet op de overige aanwijzingen daarvoor, dat (uit een samenstel van aanwijzingen kan worden afgeleid dat) de overheid met betrekking tot maatregelen als de onderhavige (het verlenen van garanties) in zijn algemeenheid
“daadwerkelijk de besluitvorming binnen het openbaar bedrijf bepaalt of daarop daadwerkelijk een sterke, overwegende invloed uitoefent”. Dat in het onderhavige geval de desbetreffende maatregel door de (enig) bestuurder van het overheidsbedrijf aan het zicht van de overheid is onttrokken en dat daarbij de interne statutaire voorschriften bewust zijn genegeerd, zodat de garanties tegen de wil van de toezichthoudende organen (en tegen de wil van de Gemeente en de Staat) zijn verleend, behoeft dan, aldus de Hoge Raad, niet in de weg te staan aan toerekening van de maatregelen aan de overheid. Voor deze opvatting kan volgens de Hoge Raad pleiten (i) dat de effectiviteit van de staatssteunregels op onaanvaardbare wijze kan worden aangetast indien deze regels (ook als sprake is van een met staatsmiddelen bekostigde maatregel ten gunste van een bepaalde onderneming en die maatregel voldoet aan de overige vereisten om als staatssteun te kunnen worden beschouwd) buiten toepassing moeten worden gelaten op grond van de omstandigheid dat de statutair bestuurder van het overheidsbedrijf bij het vaststellen van de desbetreffende maatregel de interne bevoegdheidsregels, die geen externe werking hebben, heeft overtreden, en (ii) dat in zijn algemeenheid voor derden niet kenbaar of verifieerbaar is of een maatregel van een overheidsbedrijf in een concreet geval met of zonder inachtneming van de interne voorschriften is getroffen [9] .
2.Nadere analyse en nadere bespreking van onderdeel 2 van het cassatiemiddel
Stardust Marinetwee uiteenlopende lezingen toe. De door de Hoge Raad gestelde vragen strekken uiteindelijk ertoe te vernemen welke van die lezingen de juiste is. Eén van die door de Hoge Raad voor mogelijk gehouden lezingen (en wel die, welke is weergegeven in rov. 3.8.2 van het tussenarrest) houdt in dat voor toerekening van een maatregel van een openbaar bedrijf aan de Staat (welke toerekening is vereist om de betrokken maatregel als staatssteun te kunnen kwalificeren) reeds voldoende is dat de overheid
“in zijn algemeenheid”de besluitvorming binnen het openbaar bedrijf met betrekking tot dergelijke maatregelen bepaalt of daarop een sterke, overwegende invloed uitoefent. De andere lezing (weergegeven in - de verbeterde versie van - rov. 3.8.1 van het tussenarrest) houdt in dat (uit een samenstel van aanwijzingen moet kunnen worden afgeleid dat) de overheid
“in het concrete geval”bij de vaststelling van de desbetreffende maatregel is betrokken.
“in het concrete geval”bij de gewraakte maatregel
zelf(en niet slechts
in zijn algemeenheidbij dergelijke maatregelen) was betrokken, blijkt reeds uit punt 31 van het prejudiciële arrest:
in een concreet gevalook metterdaad wordt uitgeoefend. Daarnaast dient te worden nagegaan of de overheid op een of andere manier
bij de vaststelling van de maatregelenwas betrokken (zie in die zin arrest Frankrijk/Commissie, EU:C:2002:294, punten 50-52)” (onderstrepingen toegevoegd; LK).
“dat de overheid het openbaar bedrijf erconcreettoe heeft aangezet debetrokkensteunmaatregelen te nemen”en toestaat dat de toerekenbaarheid (ook) wordt afgeleid
“uit een samenstel van aanwijzingen die blijken uitde omstandigheden van de zaaken de context waarindezemaatregel is genomen”, in welk verband het hof blijkens punt 33
“elke aanwijzing waaruitin het concrete gevalblijkt dat de overheid hetzij is betrokkenbij de vaststelling van een maatregelof dat het onwaarschijnlijk is dat zij hierbij niet betrokken is, mede gelet op de omvang vandeze maatregel, op de inhoud ervan of op de daaraan verbonden voorwaarden, hetzij niet is betrokkenbij de vaststelling van die maatregel”, relevant acht (onderstrepingen toegevoegd; LK).
Stardust Marineerop aan
“of (uit een samenstel van aanwijzingen kan worden afgeleid dat) de overheid in het concrete geval bij de vaststelling van de desbetreffende maatregel is betrokken”(rov. 3.8.1, eerste volzin).
“noodzakelijkerwijs”aan toerekening aan de overheid in de weg staan en, zo neen, of die omstandigheden iedere relevantie missen, dan wel alsnog in een afweging van de overige omstandigheden die voor of tegen toerekening pleiten, dienen te worden betrokken. Daarbij ware overigens te bedenken dat de lezing van het arrest
Stardust Marinedie voor toerekening betrokkenheid
“in het concrete geval”vereist, volgens de Hoge Raad met zich brengt dat de garantieverlening
nietaan de overheid kan worden toegerekend. In rov. 3.8.1 (verbeterde versie) overwoog de Hoge Raad:
“noodzakelijkerwijs”aan toerekening aan de overheid in de weg. De tweede prejudiciële vraag, die de relevantie van de bedoelde omstandigheden betreft in het geval dat die omstandigheden niet
“noodzakelijkerwijs”aan toerekening in de weg staan, is onmiskenbaar gesteld voor het geval dat als juiste lezing van het arrest
Stardust Marinezou moeten worden aanvaard dat voor toerekening aan de overheid volstaat dat de overheid (niet
“in het concrete geval”maar)
“in zijn algemeenheid”de besluitvorming binnen het openbaar bedrijf met betrekking tot maatregelen als de litigieuze bepaalt dan wel daarop een sterke, overwegende invloed uitoefent. Dat blijkt ook uit rov. 3.8.2:
“in zijn algemeenheid”niet volstaat en betrokkenheid
“in het concrete geval”voor toerekening aan de overheid is vereist. Bij die stand van zaken had het HvJ EU de vraag naar de relevantie van de genoemde omstandigheden, strikt genomen, niet meer behoeven te beantwoorden. Het HvJ EU heeft dat laatste echter wel gedaan en heeft de door de Hoge Raad gestelde vraag (anders dan de Hoge Raad kennelijk had bedoeld) bovendien op de beoordeling van een eventuele betrokkenheid van de overheid
“in het concrete geval”betrokken.
“op zich”niet kan uitsluiten. Naar het HvJ EU in punt 37 overigens onderkent, heeft de Hoge Raad in het verwijzingsarrest ook niet anders geoordeeld. De Hoge Raad heeft in rov. 3.8.1 van het verwijzingsarrest geoordeeld dat de uitleg van het arrest
Stardust Marinevolgens welke voor toerekening aan de overheid betrokkenheid
“in het concrete geval”is vereist, in het onderhavige geval, waarin de (enig) bestuurder van HbR bij de garantieverlening eigenmachtig is opgetreden, de garanties bewust geheim heeft gehouden en de statutaire voorschriften van HbR heeft genegeerd door geen goedkeuring van de raad van commissarissen te vragen, alsmede voor zijn handelen strafrechtelijk is veroordeeld, en waarin voorts moet worden aangenomen dat de Gemeente (en de Staat) de garantieverlening niet heeft (hebben) gewild, met zich brengt dat de garantieverlening, hoewel civielrechtelijk bindend voor HbR, voor de toepassing van de staatssteunregels
nietaan de Gemeente (en daarmee aan de Staat) kan worden toegerekend [11] . Dat oordeel houdt niet in dat het negeren van de statutaire voorschriften
“op zich”aan betrokkenheid van de overheid in de weg zou staan. De overige door de Hoge Raad in zijn oordeel betrokken omstandigheden, te weten dat de enig bestuurder niet alleen onwettig heeft gehandeld, maar ook het verlenen van de litigieuze garanties geheim heeft gehouden, en dat de betrokken overheidsinstantie zich tegen het verlenen van de garanties zou hebben verzet, indien zij daarvan in kennis was gesteld, worden (mede blijkens punt 39 en het dictum van het prejudiciële arrest) ook door het HvJ EU relevant geacht. Daarbij laat het HvJ EU het (in punt 38 van het prejudiciële arrest) aan de verwijzende rechter over om die omstandigheden, gelet op het gehele samenstel van aanwijzingen, te waarderen. Overigens kan in dit verband de vraag rijzen, of zodanige waardering niet al in rov. 3.8.1 van het verwijzingsarrest ligt besloten.
“uitgesloten”(de Franse tekst van punt 38 luidt:
“Il incombe à cette juridiction d’apprécier si lesdits éléments sont, eu égard à l’ensemble des indices pertinents, de nature à établir ou à exclure l’implication de la commune de Rotterdam dans l’octroi desdites garanties.”). Ook in (de verbeterde versie van) punt 39 en het dictum bedient het HvJ EU zich van de term
“uitsluiten”:
“Die omstandigheden op zich kunnen in een situatie als in het hoofdgeding een dergelijke toerekenbaarheid echter niet uitsluiten.”Een en ander wijkt af van het criterium voor toerekenbaarheid dat het HvJ EU in punt 34 (nota bene: specifiek met het oog op de vaststelling van eventuele toerekenbaarheid aan de overheid in de onderhavige zaak) heeft geformuleerd:
“Daartoe moet worden bepaald of op grond van die aanwijzingen kan worden vastgesteld dat in casu de overheid bij het verlenen van die garanties betrokken was of dat het onwaarschijnlijk was dat zij hierbij niet betrokken was.”Dat betrokkenheid niet is
uitgesloten, wettigt nog niet de conclusie dat
“onwaarschijnlijk”is dat betrokkenheid heeft ontbroken, laat staan dat daadwerkelijk van betrokkenheid sprake was.
“dat in casu de overheid bij het verlenen van die garanties betrokken was of dat het onwaarschijnlijk was dat zij hierbij niet betrokken was”) zonder enige nadere uitleg en motivering heeft vervangen door het wezenlijk andere criterium dat toerekenbaarheid moet worden aangenomen als betrokkenheid van de overheid niet is
uitgesloten. Daarbij wijs ik erop dat punt 39 van het prejudiciële arrest niet een nadere uitwerking of argumentatie van het oordeel van het HvJ EU bevat, maar slechts een formulering van de antwoorden op de prejudiciële vragen waartoe de voorgaande overwegingen het HvJ EU aanleiding geven (
“Gelet op het bovenstaande (…)”).
uitsluitenvan toerekenbaarheid wordt gesproken, kennelijk voortvloeien uit de formulering van de prejudiciële vragen, waarin steeds centraal was gesteld of de daarin bedoelde omstandigheden al dan niet
“noodzakelijkerwijs”aan toerekening in de weg staan. In punt 29 onderscheidt het HvJ EU in de vraagstelling van de Hoge Raad immers tussen de vraag of de daarin bedoelde omstandigheden met het oog op de toerekenbaarheid
relevantzijn (welke vraag het HvJ EU bevestigend beantwoordt) en de vraag
“of die omstandigheden in een situatie als in het hoofdgeding een dergelijke toerekenbaarheid kunnen uitsluiten”(waarbij overigens de kanttekening past dat de Hoge Raad heeft gesproken van het
“noodzakelijkerwijs aan toerekening aan de overheid in de weg staan”en dat het HvJ EU de laatste vraag daarom niet op een
“kunnen uitsluiten”maar op een
“uitsluiten”zonder meer had moeten betrekken [12] ). Dat het HvJ EU ook die laatste vraag beantwoordt, en wel in die zin dat die omstandigheden
“op zich”een dergelijke toerekenbaarheid niet (kunnen) uitsluiten, betekent, gelet op het in punt 34 geformuleerde criterium, allerminst dat voor toerekenbaarheid zou volstaan dat betrokkenheid van de overheid bij de desbetreffende maatregelen niet is
uitgesloten.
“op zich”toerekenbaarheid niet (kunnen) uitsluiten. Dat stemt naar mijn mening overeen met de opdracht aan de nationale rechter in punt 38 waaruit blijkt dat met het - gehele - samenstel van relevante aanwijzingen rekening moet worden gehouden. Dat laatste verklaart waarom het HvJ EU kennelijk huiverig is te aanvaarden dat bepaalde omstandigheden
“op zich”(zo men wil:
“noodzakelijkerwijs”) en geheel los van alle andere aanwijzingen voor betrokkenheid of het ontbreken daarvan aan toerekenbaarheid van de betrokken maatregelen in de weg kunnen staan. Overigens was het HvJ EU in de oorspronkelijk gepubliceerde maar later gerectificeerde versie van punt 39 en het dictum wel erg dicht bij een dergelijke aanvaarding. Volgens die oorspronkelijke tekst kunnen de bedoelde omstandigheden
“op zich”toerekenbaarheid immers wel degelijk uitsluiten, zij het slechts als daaruit blijkt dat de litigieuze garanties zijn verleend zonder betrokkenheid van de overheid. Dat de tekst van punt 39 en het dictum is gerectificeerd, betekent volgens mij niet dat het HvJ EU principieel van gedachten zou zijn veranderd, en wel in die zin dat het thans uitgesloten zou achten dat uit de bedoelde (en relevant bevonden) omstandigheden wordt afgeleid dat de overheid niet bij de betrokken maatregelen was betrokken. Voor de rectificatie van de oorspronkelijke versie bestond kennelijk een andere (en meer voor de hand liggende) reden. Het oordeel dat bepaalde omstandigheden
“op zich”toerekenbaarheid kunnen uitsluiten, heeft de pretentie van een absolute gelding, die zich moeilijk laat verenigen met de in de oorspronkelijke tekst vervolgens geformuleerde en beperkende voorwaarde dat uit die omstandigheden blijkt dat de betrokken garanties zonder betrokkenheid van de overheid zijn verleend. Dat laatste zou in de kennelijke gedachtegang van het HvJ EU onder omstandigheden anders kunnen zijn. Kennelijk heeft het HvJ EU zich achteraf gerealiseerd dat het niet slechts van het karakter van de bedoelde omstandigheden maar mede van alle overige omstandigheden van het geval en het daaruit af te leiden - gehele -
“samenstel van relevante aanwijzingen”zal afhangen of al dan niet tot het ontbreken van betrokkenheid van de overheid kan worden geconcludeerd. De door het HvJ EU gewenste beoordeling van de betrokkenheid van de overheid, steeds aan de hand van het gehele
“samenstel van aanwijzingen”, rechtvaardigde de rectificatie van de oorspronkelijke formulering in die zin, dat de bedoelde omstandigheden
“op zich”betrokkenheid van de overheid niet (kunnen) uitsluiten, in de Franse tekst van het arrest
“ne sont (…) pas, à elles seules, de nature à exclure (…) une telle imputabilité”.
“op zich”, maar in onderlinge combinatie en in samenhang met alle overige omstandigheden van het geval leiden, laat het HvJ EU zich (anders dan HbR aanneemt [13] ) niet uit. Het zou, minst genomen, ook wonderlijk zijn als het HvJ EU zou bedoelen dat in het hoofdgeding toerekenbaarheid moet worden aangenomen, na in punt 38 nog te hebben geoordeeld dat het aan de verwijzende rechter is om, rekening houdend met het samenstel van relevante aanwijzingen, te beoordelen of uit
“die gegevens”(te weten dat [betrokkene] eigenmachtig is opgetreden, de garantieverlening bewust geheim heeft gehouden en de statutaire voorschriften van het openbaar bedrijf heeft genegeerd, en voorts moet worden aangenomen dat het desbetreffende overheidslichaam de garantieverlening niet heeft gewild) het ontbreken van betrokkenheid van de gemeente Rotterdam kan worden afgeleid. Voorts zou het naar mijn mening een misverstand zijn om, zoals HbR in cassatie doet, uit het prejudiciële arrest af te leiden dat de door de Hoge Raad bedoelde omstandigheden niet voldoende zouden kunnen zijn om daaruit het ontbreken van betrokkenheid van de overheid af te leiden en dat daartoe méér aanwijzingen die eveneens op het ontbreken van betrokkenheid zouden wijzen, zouden zijn vereist [14] . Waar het om gaat, is dat aan de bedoelde omstandigheden geen conclusies mogen worden verbonden zonder dat alle andere relevante aanwijzingen, met name die welke op betrokkenheid
“in het concrete geval”wijzen, in de afweging zijn betrokken. Het HvJ EU heeft geenszins uitgesloten dat op grond van de door de Hoge Raad bedoelde omstandigheden wordt geconcludeerd dat betrokkenheid (waarschijnlijk) ontbrak (en dat de litigieuze garanties dus niet aan de overheid toerekenbaar zijn), als voldoende sterke contra-indicaties (aanwijzingen voor betrokkenheid
“in het concrete geval”) ontbreken.
op zichbetrokkenheid van de overheid niet (kan) uitsluit(en) (
“ne sont (…) pas, à elles seules, de nature à exclure (…) une telle imputabilité”), acht ik, strikt genomen, overigens niet onjuist. In theorie laat zich denken dat de overheid een bewust beleid van
“wat niet weet, wat niet deert”of
“mijn naam is haas”heeft gevoerd en zich bewust van het openbaar bedrijf heeft afgewend, om dat bedrijf in staat te stellen maatregelen te treffen waarvan de overheid zich dient te onthouden. Een dergelijk scenario veronderstelt dat de overheid in wezen welwillend staat tegenover de betrokken maatregelen. Dat laatste doet zich echter niet voor, als tevens - zoals de Hoge Raad in het verwijzingsarrest heeft aangenomen - de overheid de betrokken maatregelen niet heeft gewild. Het moge zo zijn dat de beide omstandigheden
op zichbetrokkenheid van de overheid niet uitsluiten, maar er laten zich moeilijk bijkomende omstandigheden bedenken waaronder, ondanks de
combinatievan een “niet weten” en een “niet willen” van de overheid
“in het concrete geval”, toch van een (waarschijnlijkheid van) betrokkenheid van de overheid
“in het concrete geval”moet worden uitgegaan.
Stardust Marinehad voorgeschreven en in zijn prejudiciële arrest in de onderhavige zaak heeft bevestigd. Het hof heeft, in plaats van zich te concentreren op de betrokkenheid van de overheid
“in het concrete geval”, in rov. 3.9 van het bestreden arrest
“in zijn algemeenheid”de sterke invloed van de Gemeente
“op het reilen en zeilen van HbR”benadrukt. Daaraan heeft het hof toegevoegd dat die invloed ook in de praktijk werd uitgeoefend, in welk verband het hof echter slechts heeft gereleveerd dat de Gemeente bij oprichting de (enig) bestuurder [betrokkene] en de leden van de raad van commissarissen (onder wie de wethouder haven als voorzitter) heeft benoemd. Voorts heeft het hof gewezen op de eis van goedkeuring van garanties door de raad van commissarissen en de prominente plaats van het algemeen belang in de statutaire doelstelling van HbR, waardoor die statutaire doelstelling, ondanks het feit dat HbR met andere havenbedrijven concurreert, niet met die van een louter commerciële onderneming vergelijkbaar is. In rov. 3.10 heeft het hof geoordeeld dat, als juist is dat [betrokkene] geheel eigenmachtig optrad, de duikbotenovereenkomst en de garanties bewust geheim hield en daarvoor geen goedkeuring aan de raad van commissarissen heeft gevraagd, zulks aan de toerekening van de garanties aan de overheid niet afdoet
(“dat dit niet anders wordt”). Aan die overweging ligt echter
nietten grondslag dat de bedoelde omstandigheden, als die zich werkelijk hebben voorgedaan, niet zouden opwegen tegen andere aanwijzingen waaruit (de waarschijnlijkheid) van betrokkenheid van de overheid
“in het concrete geval”(dus bij de betrokken garanties) kan worden afgeleid. Uit het vervolg van rov. 3.10 blijkt dat het hof ook in dit opzicht de
“in zijn algemeenheid”sterke invloed van de overheid
“op het reilen en zeilen van HbR”heeft laten prevaleren, in het bijzonder door te overwegen dat óók als [betrokkene], door namens HbR garanties te verstrekken, zijn intern geldende bevoegdheden te buiten is gegaan, zulks toerekenbaar is aan de Gemeente, die hem nu eenmaal tot enig bestuurder heeft benoemd.
“in het concrete geval”(bij de litigieuze garanties), maar door de
“in zijn algemeenheid”sterke invloed van de overheid op
“het reilen en zeilen van HbR”, van een onjuiste rechtsopvatting blijk heeft gegeven. Als aan het oordeel van het hof al een afweging van alle voor de beoordeling van de toerekenbaarheid
“in het concrete geval”relevante aanwijzingen ten grondslag ligt (hetgeen overigens ook daarom onaannemelijk is omdat de door Commerz in dat verband aangevoerde omstandigheden in de genoemde rechtsoverwegingen niet alle herkenbaar zijn [15] ), had het hof minst genomen nader moeten motiveren waarom
“in het concrete geval”de overheid bij de litigieuze garanties was betrokken, of althans onwaarschijnlijk was dat de overheid daarbij niet was betrokken, ondanks het feit dat de litigieuze garanties voor de overheid geheim zijn gehouden en de overheid die garanties niet zou hebben gewild. In zoverre slaagt onderdeel 2, dat daarop gerichte klachten omvat.
“in het concrete geval”kan worden afgeleid [16] .
“in het concrete geval”getroffen “particuliere” maatregel als staatssteun zou (moeten) gelden.
informed consentvan de raad van commissarissen geen sprake was, kan uit die goedkeuring al helemaal geen “willen en weten” van de raad van commissarissen (laat staan een betrokkenheid van de Gemeente en uiteindelijk de Staat) ten tijde van de verstrekking van die garanties worden afgeleid. Ten slotte wijs ik erop dat voor zover de achteraf verleende toestemming alsnog in de beschouwingen over de betrokkenheid van de overheid bij de garanties kan worden betrokken, zij tegen alle andere relevante aanwijzingen, ook die welke (meer stellig) op het ontbreken van betrokkenheid van de overheid wijzen, zal moeten worden afgewogen.
3.Beoordeling van de overige onderdelen
onderdelen 3 tot en met 7onbesproken gelaten. Over die onderdelen zal nog moeten worden geoordeeld. In mijn conclusie van 7 december 2012 vóór het tussenarrest heb ik die onderdelen reeds besproken. In aanvulling daarop merk ik nog het volgende op.
Residex [19] was aan de orde of de nietigheid van een garantie die als een niet aangemelde steunmaatregel moet worden opgevat, een passende sanctie is, in het bijzonder in het geval dat de financier zelf niet als de door die staatssteun begunstigde partij kan gelden. Zowel in mijn nadere conclusie (van 18 oktober 2012) in de zaak
Residex [20] als in mijn eerdere conclusie in de onderhavige zaak ben ik op het prejudiciële arrest in de zaak
Residexingegaan. In beide conclusies heb ik het prejudiciële arrest als volgt samengevat [21] :
“het recht van de Unie de nationale rechterlijke instanties niet ertoe verplicht om een welbepaalde consequentie te verbinden aan de geldigheid van de handelingen ter uitvoering van de steun” [22] . Niet zozeer de aard van de door de nationale rechter te treffen maatregel, als wel
de gevolgendaarvan voor de concurrentieverstoring die de onrechtmatige staatssteun heeft veroorzaakt, staan volgens het HvJ EG/EU voorop. Daarbij is het ijkpunt dat
“de verstoring van de mededinging (…) die voortkomt uit het concurrentievoordeel dat door de onrechtmatige steun wordt verschaft”, moet worden opgeheven [23] . In dat verband neemt het HvJ EG/EU weliswaar aan dat de nationale rechter
bevoegdis een garantie zoals die in de onderhavige zaak aan de orde is, nietig te verklaren [24] , maar die bevoegdheid blijkt niet zonder beperkingen te gelden. Volgens het HvJ EG/EU staat het aan de nationale rechter die over de nietigverklaring moet beslissen (het HvJ EG/EU spreekt hier weliswaar van de verwijzende rechter, maar heeft ongetwijfeld elke, tot beslissing geroepen nationale rechter op het oog)
“om na te gaan of de nietigverklaring van de garantie, in de omstandigheden die eigen zijn aan het bij hem aanhangige geding, doeltreffender kan blijken te zijn dan andere maatregelen met het oog op dit herstel.” [25] Nietigverklaring blijkt in de gedachtegang van het HvJ EG/EU slechts dan aangewezen, wanneer zij
“meer geschikt is ter bereiking van de doelstelling van het herstel van de mededingingssituatie van vóór de steunverlening” [26] , dat wil zeggen: méér geschikt dan
“minder dwingende procedurele maatregelen” [27] . Dat de nationale rechter niet “zomaar” tot nietigverklaring kan overgaan, blijkt ook hieruit dat hij volgens het HvJ EG/EU
“(b)ij de uitoefening van die bevoegdheid (…) ervoor (moet) zorgen dat de steun wordt teruggevorderd” [28] (onderstreping toegevoegd; LK).”
Residexeindarrest gewezen [29] . In dat arrest overwoog de Hoge Raad onder meer als volgt:
PbEU2008, C155/12). Dat stemt overeen met de regel dat een eventuele nietigverklaring van de garantie ertoe dient te kunnen leiden of bijdragen dat de mededingingssituatie van vóór de garantieverstrekking (zoveel mogelijk) wordt hersteld.
Residexbevestigt dat, óók in het geval dat de litigieuze garanties aan de overheid zouden kunnen worden toegerekend, het bestreden arrest in de onderhavige zaak geen stand kan houden, voor zover het hof (in de rov. 3.19 en 4.8) heeft gemeend in het midden te kunnen laten of, naast de RDM-vennootschappen, ook Commerz als gevolg van die garanties is bevoordeeld. In het licht van het prejudiciële arrest en het eindarrest in de zaak
Residexheeft het hof van een onjuiste rechtsopvatting blijk gegeven, óók door, na slechts een bevoordeling van de RDM-vennootschappen te hebben vastgesteld, in de rov. 4.1-4.8 nietigheid van de garanties aan te nemen, zonder zich ervan rekenschap te hebben gegeven of een in de relatie tussen HbR en Commerz aan te nemen nietigheid geschikt is (en meer geschikt is dan minder vergaande maatregelen) om de vastgestelde bevoordeling van de RDM-vennootschappen ongedaan te maken. Voor zover
onderdeel 3onder 37 en 38 - in het bijzonder onder 37 (i), 37 (ii) en 37 (iii) - hierop gerichte klachten bevat, acht ik die klachten gegrond. Ook als
onderdeel 2ongegrond zou worden bevonden, kan het bestreden arrest derhalve niet in stand blijven. Voor een bespreking van de
onderdelen 4 tot en met 7verwijs ik naar mijn conclusie van 7 december 2012.