ECLI:NL:HR:2013:BY6102
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad vraagt HvJEU uitleg over toerekening staatssteun bij garanties havenbedrijf
In deze zaak vordert Commerz Nederland N.V. betaling van garanties die het Havenbedrijf Rotterdam (HbR) heeft afgegeven voor kredieten aan RDM-vennootschappen. HbR verweert zich met het standpunt dat deze garanties verboden staatssteun vormen omdat zij niet zijn aangemeld bij de Europese Commissie, zoals vereist onder art. 107 en Pro 108 VWEU. De rechtbank en het hof wijzen de vorderingen af op deze grond.
Het hof oordeelt dat de garanties moeten worden toegerekend aan de overheid (de Gemeente Rotterdam) vanwege de nauwe verwevenheid en controle, ondanks dat de bestuurder van HbR eigenmachtig handelde en de garanties bewust geheim hield. Dit oordeel is gebaseerd op het Stardust Marine-arrest van het HvJEU, waarin criteria voor toerekening zijn ontwikkeld.
Commerz betwist dat de garanties als staatssteun kunnen worden aangemerkt en dat toerekening aan de overheid mogelijk is, vooral gezien het eigenmachtige en onrechtmatige handelen van de bestuurder. De Hoge Raad ziet in deze vraagstelling onzekerheid en legt prejudiciële vragen voor aan het HvJEU over de uitleg van het vereiste van toerekening van garanties aan de overheid, ook als de garanties zonder instemming van de overheid zijn verleend.
De Hoge Raad schorst het geding en houdt verdere beslissing aan totdat het HvJEU uitspraak heeft gedaan over deze vragen.
Uitkomst: Hoge Raad schorst geding en stelt prejudiciële vragen aan HvJEU over toerekening van garanties als staatssteun.