ECLI:NL:PHR:2012:BY6102
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Toerekening van door havenbedrijf verstrekte garanties als verboden staatssteun aan de Staat
In deze zaak staat centraal of garanties die door Havenbedrijf Rotterdam (HbR) zijn verstrekt, kunnen worden aangemerkt als verboden staatssteun en of deze steunmaatregel aan de Staat kan worden toegerekend. Commerz Nederland N.V. (eiseres) stelt dat de garanties onrechtmatig zijn en niet aan de Staat kunnen worden toegerekend omdat de betrokken bestuurder eigenmachtig handelde zonder medeweten van de Gemeente Rotterdam (de aandeelhouder).
Het hof 's-Gravenhage heeft geoordeeld dat de garanties staatssteun vormen en dat deze aan de Staat moeten worden toegerekend, mede vanwege de invloed van de Gemeente als enige aandeelhouder en de statutaire bepalingen die toezicht en goedkeuring vereisen. Het hof verwierp het verweer van Commerz dat de garanties slechts ter uitvoering van een contractuele verplichting zijn afgegeven en daarom niet als steunmaatregel kunnen gelden.
De Hoge Raad bespreekt uitgebreid de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie, met name het Stardust Marine-arrest, waarin wordt benadrukt dat voor toerekening van steun aan de Staat niet alleen formele controle, maar ook feitelijke betrokkenheid vereist is. De Hoge Raad stelt dat het hof onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de enkele benoeming van een bestuurder door de overheid en de statutaire bepalingen voldoende zijn voor toerekening, zonder feitelijke betrokkenheid bij de concrete handelingen.
Daarnaast behandelt de Hoge Raad de gevolgen van nietigheid van de garanties wegens niet-aanmelding bij de Europese Commissie en de vraag of Commerz als financier begunstigde staatssteun heeft ontvangen. De conclusie is dat de garanties nietig zijn en dat de Staat de onrechtmatige steun moet terugvorderen, maar dat Commerz zelf niet als begunstigde kan worden aangemerkt. De zaak wordt terugverwezen voor nadere beoordeling van de toerekeningsvraag en de gevolgen daarvan.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep gegrond wegens onvoldoende motivering van toerekening en verwijst de zaak terug voor nadere beoordeling.