Conclusie
2.Het procesverloop
3.De bespreking van het cassatiemiddel in het principale beroep
heeft beperkttot de Wft. Onderdeel 10 gaat over het oordeel van Staat over het égalitébeginsel. Onderdeel 11 bevat alleen een voortbouwklacht.
op zichzelfvormt daarom geen basis voor
civielrechtelijkeaansprakelijkheid. Civielrechtelijke aansprakelijkheid kan worden bereikt via art. 6:162 BW Pro. Wie art. 5:58 Wft Pro overtreedt, handelt in strijd met een wettelijke plicht als bedoeld in art. 6:162 lid 2 en Pro daarmee in beginsel onrechtmatig. [23] Overtreding van art. 5:58 Wft Pro leidt echter niet automatisch tot civielrechtelijke
aansprakelijkheid. Ik kom hierop later terug.
een aanzienlijke invloed zou kunnen hebben op de koers van deze financiële instrumenten of van daarvan afgeleide financiële instrumenten (curs. A-G).”
onvolledigeinformatie. De Richtlijn marktmisbruik hanteert evenmin de term
onvolledig.
nietvoor een derde, zoals de Staat. Een derde gaat echter niet vrijuit indien hij wel informatie verspreidt die op zichzelf gezien niet onjuist is, maar wegens de onvolledigheid ervan tóch kan misleiden. Dat valt namelijk binnen de reikwijdte van art. 5:58 Wft Pro.
de crisissituatievan die context deel uit. In de beoordeling van het hof speelt dat een belangrijke rol. Als voorbeeld kan dienen de bespreking in het hofarrest van de uitspraak van de minister op zondag 28 september 2008 dat Fortis “is gered” (zie rov. 2.2.13). Het hof heeft deze mededeling, getoetst aan het maatman-criterium, niet in strijd geoordeeld met art. 5:58 Wft Pro, waarbij het hof overwoog dat deze uitspraak moet worden gezien tegen de achtergrond van de reële dreiging van het faillissement van Fortis, en van het feit dat Fortis dringend een kapitaalinjectie nodig had (zie rov. 4.2.6). Ik wijs verder op rov. 4.2.11, waarin het hof als volgt oordeelde over o.a. de uitlating van de minister dat Fortis “in essentie een gezond bedrijf” is:
in beginselook civielrechtelijk onrechtmatig is. Art. 6:162 lid 2 BW Pro merkt immers mede als onrechtmatige daad aan een doen of nalaten in strijd met een wettelijke plicht.
rechtvaardigingsgrond(bijvoorbeeld: overmacht) de onrechtmatigheid aan de bewuste gedraging ontnemen. [34]
de Staatgezien de extreme omstandigheden kan worden gerechtvaardigd, is ook verwoord in de uitspraken van de rechtbank en het hof in de onderhavige procedure.
geen misleidende mededelingenheeft gedaan. [37]
afwijstwegens de aanwezigheid van een rechtvaardigingsgrond. Dat is mijns inziens niet het geval. Ik licht dit als volgt toe.
bankrunvoordoen die het voortbestaan van de bank in gevaar kan brengen. De belegger in een bank heeft dus via zijn aandelenbezit belang bij stabiliteit van het bancaire stelsel.
beoogde. Het hof heeft, zo vervolgt onderdeel 2.2, miskend dat de onjuistheid of onvolledigheid van de uitlatingen zelf van voldoende materieel belang is om de ‘maatman-belegger’ te kunnen misleiden.
bankrunte voorkomen). Die wijze van beoordeling door het hof getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting. De doelgroep van verstrekte informatie kan wel degelijk een rol spelen bij de beoordeling of sprake is van onjuiste en/of misleidende informatieverstrekking.
onderdeel 2.3heeft het hof miskend dat, nu (in cassatie) vaststaat dat de Minister van Financiën onjuiste en misleidende informatie heeft verschaft in de zin van art. 5:58 Wft Pro, de Staat wel degelijk in strijd met dit wetsartikel heeft gehandeld. Het onderdeel vervolgt met een motiveringsklacht die erop neerkomt dat, gelet op de genoemde (in cassatie) vaststaande feiten, het oordeel van het hof onbegrijpelijk is omdat uit de motivering van het hof niet volgt waarom art. 5:58 Wft Pro niet zou zijn overtreden.
onderdelen 3.1en
3.5klagen FortisEffect c.s. – in essentie – dat het hof bij zijn beoordeling van de mededelingen van de minister had moeten betrekken dat
door Fortismisleidende informatie is verspreid.
onderdelen 3.2en
3.3klagen FortisEffect c.s. over het oordeel van het hof in rov. 4.3.8. Het hof verwerpt hierin het onder rov. 4.3.7 samengevatte betoog van FortisEffect c.s., “omdat de gestelde feiten ontoereikend zijn voor aansprakelijkheid van de Staat voor het handelen van Fortis”.
onderdeel 3.2is dit oordeel onjuist of ontoereikend gemotiveerd, omdat niet valt in te zien waarom “de gestelde feiten ontoereikend” zijn.
nietvalt in te zien dat het door FortisEffect c.s. gestelde ontoereikend is voor aansprakelijkheid van de Staat en het onderdeel evenmin uitlegt waarom het gestelde daartoe
weltoereikend is, voldoet het onderdeel niet aan de aan cassatiemiddelen gestelde eisen.
voor het handelen van Fortiseen onbegrijpelijke uitleg aan de stellingen van Fortis heeft gegeven.
op hem(de Staat) rustende verplichting heeft gehouden en dat het daarom onbegrijpelijk is dat het hof heeft geoordeeld dat dit betoog niet kan leiden tot aansprakelijkheid van de Staat
voor het handelen van Fortis.
op hemrustende verplichting heeft geschonden. Ik leid daaruit af dat de betreffende overweging in rov. 4.3.8 zo moet worden begrepen dat de stellingen van FortisEffect c.s. in het onderhavige geval niet kunnen leiden tot het aannemen van aansprakelijkheid van de Staat wegens het schenden van een
op hemrustende verplichting
in verband met het handelen van Fortis. Aldus opgevat is dit oordeel niet onbegrijpelijk. Onderdeel 3.3 is ongegrond.
onderdeel 3.4klagen Fortis-Effect c.s. dat het hof in rov. 4.3.8 niet naar behoren op het onder rov. 4.3.7 weergegeven betoog van FortisEffect c.s. heeft gerespondeerd. Dit betoog komt er volgens FortisEffect c.s. onmiskenbaar op neer dat de Staat, juist gezien de bijzondere hoedanigheid van de Minister van Financiën, niet passief had mogen blijven toen beleggers door Fortis werden misleid. Het hof heeft, zo vervolgt onderdeel 3.4, ten onrechte niet meegewogen dat de uitlatingen van de Minister daarom extra onjuist en/of onvolledig en/of misleidend waren.
onderdelen 4en
5richten vele klachten tegen de rechtsoverwegingen 4.2.6 en 4.2.7 (onderdeel 4) en 4.2.8 (onderdeel 5). De bestreden oordelen van het hof houden in dat de mededelingen van de Minister van Financiën op zondagavond 28 september 2008 t/m dinsdagmiddag 30 september 2008 respectievelijk de informatie die in deze periode op de overheidswebsites is geplaatst, niet onjuist en/of misleidend zijn is geweest in de zin van art. 5:58 Wft Pro. Ik vat de klachten hieronder samen en zal deze daarna grotendeels gezamenlijk bespreken.
het veronderstelde effect(de redding) en met betrekking tot
het ontberen van het definitieve karakter van de maatregelen.
onderdeel 5betogen FortisEffect c.s. dat hetgeen waarover onderdeel 4 klaagt, tevens rov. 4.2.8 raakt, waar het hof heeft overwogen dat hetzelfde zou hebben te gelden voor de mededelingen die op maandag 29 september 2008 op de overheidswebsites zijn geplaatst.
de spaarders en rekeninghouderser vanuit konden gaan dat hun geld veilig was en daarnaast dat de financiële stabiliteit binnen Nederland en Europa was gewaarborgd. Ook dit heeft mijns inziens logischerwijs invloed gehad op hoe de ‘maatman-belegger’ de mededelingen van de minister heeft kunnen begrijpen.
niet onjuistheeft geacht, acht ik niet onbegrijpelijk. Dit geldt evenzo voor de soortgelijke termen die op de websites zijn gebruikt (bijvoorbeeld: “de problemen bij Fortis zijn opgelost”). Het hof heeft zijn oordeel nadrukkelijk geplaatst in de context van de reële dreiging van het faillissement van Fortis in het weekend van 27 en 28 september 2008. Díe onmiddellijke dreiging was afgewend. In zoverre was Fortis inderdaad gered en in zoverre waren de problemen inderdaad opgelost. Dat er geen zekerheid bestond dat de reddingsactie het beoogde effect zou hebben, maakt de bewuste uitlatingen nog niet onjuist en/of misleidend. Ik wijs er hierbij bovendien op dat de ‘maatman-belegger’ had behoren te begrijpen dat de Staat niet anders kon dan het vertrouwen uitstralen dat de reddingsoperatie effectief zou zijn (zie ook de inleiding, onder 3.22).
geen voorbehoud heeft gemaakt. Voorts neemt het onderdeel ten onrechte als vaststaand aan dat de mededelingen van de minister onjuist zijn.
onderdelen 6.1en
6.2valt niet in te zien dat deze uitlatingen niet misleidend zijn, waar het hof in rov. 4.2.9 ook heeft overwogen dat de uitlatingen door het publiek kunnen worden opgevat “als mededeling dat men vertrouwen kan hebben in Fortis, hetgeen gelet op de financiële situatie mogelijk een vrij rooskleurig beeld schept van de situatie bij Fortis”. De verwijzing door het hof naar het slot van rov. 4.2.7 maakt dit volgens de onderdelen niet anders.
drievolzinnen. Het hof heeft dus mede aan zijn oordeel in rov. 4.2.10 ten grondslag gelegd dat de Staat in zijn mededelingen over de eerste reddingsoperatie niet zozeer gericht was op de beleggers, maar beoogd heeft duidelijk te maken dat de reddingsoperatie gericht was op het veiligstellen van de stabiliteit van het bancaire systeem en op het herstel van het vertrouwen in Fortis van rekeninghouders en andere banken.
los van de acute liquiditeitsproblemen, gezond was, in de zin dat Fortis naar verwachting zijn verplichtingen zou kunnen nakomen en dat het geld van de rekeninghouders veilig zou zijn (zie ook het slot van rov. 4.2.11).
de Staatwegens uitlatingen van bewindspersonen of parlementsleden in het parlement. De Parlementaire Geschiedenis zwijgt hierover en ook de Hoge Raad heeft zich hierover (nog) niet uitgelaten.
de Staatcivielrechtelijk aansprakelijk kan worden gesteld. De minister zelf blijft dan immers buiten schot. R.J.B. Schutgens heeft er in dit verband recent voor gepleit dat de Staat voor uitlatingen in het parlement door een minister of een parlementslid aansprakelijk zou moeten kunnen zijn op grond van het beginsel van
égalité devant les charges publicques. [51] Schutgens relativeert de druk die uitgaat van de mogelijkheid dat de Staat aansprakelijk kan worden gesteld en merkt op dat een parlementslid tegen enige druk wel bestand behoort te zijn.
onderdeel 9.1is onjuist en/of onvoldoende gemotiveerd het oordeel van het hof in rov. 4.2.14 dat de mondelinge en schriftelijke mededelingen die de Minister van Financiën op dinsdag 30 september 2008 aan de Tweede Kamer deed (o.a: Fortis is een solvabele instelling die ten prooi is gevallen aan deels irrationele bewegingen in de markt), niet misleidend is. De strekking van deze mededelingen is onmiskenbaar mede dat de koers van Fortis volgens de minister te laag lag, afgezet tegen het gegeven dat Fortis een solvabele instelling was. Hieraan doet volgens het onderdeel niet af dat, zoals het hof heeft overwogen, de mededelingen moeten worden beschouwd in de context van de afweging die de Staat heeft gemaakt of Fortis een zodanig solide bank was dat een kapitaalinjectie (van een grote) omvang een zinvolle maatregel was om de belangen van de spaarders, rekeninghouders en het financiële systeem in zijn algemeenheid te beschermen, alsmede om het vertrouwen in de bank te herstellen.
Onderdeel 9.2klaagt dat het oordeel van het hof in rov. 4.2.16 onjuist en/of onvoldoende gemotiveerd is “in het licht van hetgeen waarover het volgende onderdeel klaagt (
égalité devant les charges publicques)”.
Onderdeel 9.3klaagt dat het hof in de rechtsoverwegingen 4.2.13 t/m 4.2.16 niet naar behoren heeft gerespondeerd op de volgende stellingen van FortisEffect c.s.:
nietheeft gezegd maar mogelijk wel had moeten zeggen. Ik verwijs naar de inleiding (zie onder 3.20 en 3.21), waarbij ik heb betoogd dat het geven van informatie die op zichzelf niet onjuist is, toch misleidend in de zin van art. 5:58 Wft Pro kan zijn, omdat essentiële informatie is weggelaten.
nietheeft herhaald dat Fortis een in wezen gezond bedrijf is. Ik vind het bovendien logisch en begrijpelijk dat het hof relevant heeft geacht dat het aandeel Fortis gedurende de week aan het dalen was en dat – kort gezegd – de ‘maatman-belegger’ uit de op donderdag gedane mededelingen niet meer zonder meer kon afleiden dat de eerste reddingsoperatie een succes was.
nietheeft gezegd dat de transactie van de zondagavond niet de gewenste gevolgen had, dat zwaardere maatregelen noodzakelijk waren en dat de onderhandelingen daarover in een vergevorderd stadium waren. Ook op dit springende punt is het hof (in rov. 4.2.16) uitdrukkelijk ingegaan. Het heeft immers overwogen:
te rechtvaardigen(dan wel
niet verwijtbaar) is door de overmachtsituatie. Deze uitleg van rov. 4.2.16 is in overeenstemming met rov. 4.3.5 onder a:
geen verwijt valt te maken.” (curs. A-G)
rechtvaardigingsgrondargumentgeen ruimte in het kader van een beoordeling op grond van art. 5:58 Wft Pro. Een mededeling wordt immers niet minder onjuist of misleidend omdat de partij die de mededeling heeft gedaan zich in een overmachtsituatie bevond. Ik wees er op deze plaats ook al op dat een precieze omgang met de norm van art. 5:58 Wft Pro temeer van belang is, omdat ook de AFM en de bestuursrechter, in het kader van het publiekrechtelijke toezicht, deze bepaling moeten uitleggen en toepassen.
rechtvaardigingsgrond in de zin van art. 6:162 lid 2 BW Pro. De bewuste overweging uit rov. 4.2.16 is geplaatst in het kader van de beoordeling of sprake is van misleidende mededelingen in de zin van art. 5:58 Wft Pro, [56] terwijl de term rechtvaardigingsgrond door het hof niet wordt gebezigd. Ik wijs ook op rov. 4.7.3, waarin het hof overwoog dat, nu het hof heeft geoordeeld dat de Staat niet onrechtmatig heeft gehandeld,
“de eventuele toepassing van de rechtvaardigingsgrond niet meer aan de orde (is)”.
welheeft gedaan mogen dan – volgens het hof – niet misleidend zijn geweest, het hof heeft mijns inziens niet of onvoldoende onderkend dat de ‘maatman-belegger’ ook kan zijn misleid (in de zin van art. 5:58 Wft Pro) doordat bij de informatieverstrekking essentiële informatie is weggelaten. [57] Dat het bij de door FortisEffect c.s. bedoelde informatie (o.a. dat op donderdag al duidelijk was dat de eerste reddingsoperatie niet het beoogde effect had gehad en niet meer zou worden uitgevoerd, en dat er onderhandelingen gaande waren over veel verdergaande maatregelen) gaat om dergelijke essentiële informatie, kan naar mijn mening zonder meer worden aangenomen. Voorts geldt, zoals volgt uit voorgaande, dat de overweging die erop neerkomt dat het handelen van de Staat
gerechtvaardigdis, het oordeel dat art. 5:58 Wft Pro niet is overtreden niet mede kan dragen.
vanuit het civielrechtelijke perspectief, maak ik op dit punt nog een laatste opmerking. Dat – mijns inziens – de klacht van onderdeel 9.3 slaagt, betekent niet dat ik van mening zou zijn dat een civielrechtelijke norm zou meebrengen dat de minister in het debat op donderdag volledige openheid van zaken had moeten geven over de aanstaande verdergaande maatregelen. ’s Hofs oordeel in rov. 4.2.16 komt er, als gezegd, op neer dat, daargelaten of de belegger door het niet verstrekken van de betreffende informatie is misleid, het handelen van de Staat gezien de omstandigheden gerechtvaardigd (dan wel niet verwijtbaar) te achten is. Dit oordeel kan ik, voor zover het de civielrechtelijke aansprakelijkheid betreft, zeker billijken.
Onderdeel 1.1formuleert rechts- en motiveringsklachten die in essentie inhouden dat het hof ten onrechte heeft nagelaten te onderzoeken of er
losvan art. 5:58 Wft Pro sprake is geweest van onrechtmatig handelen door de Staat, namelijk wegens mogelijke strijdigheid met hetgeen in maatschappelijk verkeer betamelijk is (onderdeel 1.1.1), of met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur (onderdeel 1.1.2).
de verstrekte informatie, maar slechts voor zover het betreft
de reddingsoperaties(zie onderdeel 1.1.2, tweede alinea)
,volg ik hen daarin niet. Ten aanzien van het vertrouwensbeginsel blijkt uit rov. 4.3.5 onder a expliciet dat het hof (ook) het oog heeft gehad op de verstrekte informatie. Ten aanzien van het formele en materiële zorgvuldigheidsbeginsel blijkt dat niet expliciet, maar ik meen dat een redelijke uitleg van ’s hofs arrest hier niettemin op duidt. Ik wijs er hierbij op dat rov. 4.3.5 onderdeel uitmaakt van “hoofdstuk 4”, getiteld “Misinformatie”, en dat pas in “hoofdstuk 5” de reddingsoperaties zelf aan de orde komen.
bankrunte voorkomen hadden ook beleggers in Fortis belang. Ik meen dat de minister de belangen van de beleggers in Fortis niet uit het oog heeft verloren. Deze belangen hebben echter kennelijk in het geheel van de belangen waarmee het hof rekening moest houden niet het hoogste gewicht gehad.
Onderdeel 1.2klaagt dat het hof heeft nagelaten bij zijn oordeel te betrekken de aard en ernst van het door de uitlatingen van de minister veroorzaakte gevaar op de beurs, de als gevolg daarvan te verwachten schade, de grootte van de kans dat die schade zich zou verwezenlijken en de voorzienbaarheid van de schade.
Onderdeel 1.3klaagt dat het hof in rov. 4.3.5 onder a ten onrechte heeft overwogen dat de stelling van FortisEffect c.s. dat de Staat heeft gehandeld in strijd met het vertrouwensbeginsel, onvoldoende is uitgewerkt en toegelicht in het licht van de door het hof daarvoor beoordeelde en verworpen stelling dat de Staat onrechtmatig heeft gehandeld door onjuiste en onvolledige informatie te verspreiden en aldus te handelen in strijd met art. 5:58 Wft Pro. Immers, aldus onderdeel 1.3, reeds het verspreiden van onjuiste en/of misleidende informatie is onrechtmatig wegens strijd met (vooral) het vertrouwensbeginsel.
op grond van het vertrouwensbeginselwél aansprakelijk gehouden zou kunnen worden. Dit oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting. Onderdeel 1.3 is daarom ongegrond.
Onderdeel 10gaat over het égalité-beginsel. Het onderdeel richt zich tegen rov. 4.7.5 van ’s hofs arrest, waarin het hof heeft geoordeeld dat niet kan worden gezegd dat een mogelijk door aandeelhouders geleden nadeel buiten het normale maatschappelijke (beleggers)risico valt. Het hof heeft bij zijn oordeel de volgende omstandigheden betrokken:
onderdeel 10.1is het oordeel van het hof onjuist en/of onvoldoende gemotiveerd, omdat niet valt in te zien waarom deze omstandigheden impliceren dat het genoemde nadeel buiten het normale (beleggers)risico valt. Het onderdeel merkt hierbij onder meer op (ten aanzien van c) dat wél de grote onrust en onzekerheid op de financiële markten tot het normale (beleggers)risico behoorden maar niet het verstrekken van onjuiste en misleidende informatie door de Minister van Financiën.
eerste reddingsoperatieof over de door de Staat in de week daarna gedane
mededelingen. Mijn conclusie op dit punt is dat het hof het betoog van FortisEffect c.s. zo heeft opgevat dat het betrekking heeft op de gedane mededelingen. Ik leid dit af uit rov. 4.7 (begin):
op zichzelfmoeten worden bezien. Het hof heeft klaarblijkelijk – en terecht – geoordeeld dat deze
in samenhangdragend zijn voor zijn oordeel.
Onderdeel 10.2stelt dat, voor zover het hof met “deze omstandigheden” doelt op andere omstandigheden dan vermeld in rov. 4.7.5, zijn oordeel onjuist en/of onvoldoende gemotiveerd is.
Onderdeel 11stelt dat, indien één van de vorige onderdelen slaagt, dat ook de rechtsoverwegingen 3.8, 3.9, 3.21, 3.23, 4.75, 4.9.1 t/m 4.9.4, 5.5.1, 5.5.4, 5.6 en 6.1-6.5 en het dictum vitieert.
Onderdeel 1stelt dat het oordeel van het hof in rov. 3.29 rechtens onjuist is. Volgens het onderdeel is het niet toelaatbaar dat verklaringen die ten overstaan van de Parlementaire Enquêtecommissie zijn afgelegd, in een (civielrechtelijke) procedure als bewijs worden gebruikt. Het is niet relevant of de getuige in een nauwe relatie staat tot degene tegen wie de verklaring wordt gebruikt (onderdeel 1.1).
of een anderdaarmee in een rechterlijke procedure zullen worden geconfronteerd. Ook hechten de initiatiefnemers er belang aan dat personen die betrokken worden bij een parlementaire enquête, zonder vrees voor andere schade aan de parlementaire enquête kunnen deelnemen.” (curs. A‑G) [62]
dan wel van anderenmeewerken.” (curs. A‑G) [63]
hetzij tegen derden.” (curs. A-G)