Conclusie
1.[verweerster 1],
waaronder medewordt verstaan het aan derden, al dan niet op grond van een huurovereenkomst, in gebruik geven van het woonhuis (...). Na ontvangst van een melding van risicowijziging binnen de genoemde termijn (...) zal de maatschappij aan verzekeringnemer berichten of de verzekering ongewijzigd kan worden voortgezet, dan wel of de premie en/of voorwaarden zullen worden herzien. (...) Na een hier vermelde risicowijziging biedt de verzekering uitsluitend dekking voor schade als gevolg van brand, blikseminslag, ontploffing, storm en luchtvaartuigen. (...) De (beperkte) dekking na een [risicowijziging] geldt op voorwaarde dat verzekeringnemer binnen de gestelde termijn van 2 maanden na het intreden van de [risicowijzing] aan de verplichting tot melding hiervan heeft voldaan. Blijft een melding van de risicowijziging binnen de [genoemde] termijn achterwege dan eindigt de verzekering van rechtswege (...) tenzij de verzekering ook na de melding zou zijn [voortgezet]. (...)”
2.Bespreking van het cassatiemiddel
subonderdeel III.4dat de in rov. 4.6 uitgevoerde toets aan art. 293 WvK Pro (oud) kennelijk besloten ligt dat NH, die de hennepkwekerij in haar brief niet als afwijzingsgrond heeft gehanteerd, deze op de voet van art. 293 WvK Pro (oud) later alsnog onder de eerdere afwijzingsgronden had kunnen schuiven. Dat is volgens de klacht rechtens onjuist, nu in
OHRA/Goilo [13] is uitgemaakt dat een verzekeraar op grond van de redelijkheid en billijkheid niet meer op een aanvankelijke afwijzingsgrond kan terugkomen, indien hij met precisie en stelligheid de aanvankelijk aangevoerde grond heeft verwoord. Het hof had dit zo nodig ambtshalve moeten toepassen. Voor het geval het hof heeft gemeend dat NH haar afwijzingsgrond niet met precisie heeft verwoord, is die uitleg zonder nadere motivering onbegrijpelijk. Verder is het hof met de betreffende oordelen in rov 4.6 buiten het partijdebat getreden nu [verweerster 1] en [verweerder 2] de stelling van [eiser] dat NH de betreffende weigeringsgrond niet heeft gehanteerd niet hebben betwist, aldus het subonderdeel.
OHRA/Goilois in rov. 3.5.2 uitgemaakt dat uit de eisen van redelijkheid en billijkheid
kanvoortvloeien dat wanneer de verzekeraar zijn afwijzing op een bepaalde grond heeft doen steunen, hij daarop niet kan terugkomen door haar nadien, wanneer die grond onjuist is gebleken, op een andere grond te baseren. Of op een aanvankelijk opgegeven afwijzingsgrond kan worden teruggekomen, hangt af van de omstandigheden van het geval. Dit is in wezen een uitwerking van art. 6:248 BW Pro en daarop is in feitelijke instanties door [eiser] geen beroep gedaan, zoals [verweerders] terecht aangeven bij s.t. onder 7 (aldaar in de tweede en derde volzin abusievelijk [verweerder 2] schrijvend waar zij [eiser] bedoelen).
onweersprokendekking had kunnen weigeren op grond van de aanwezigheid van een hennepkwekerij. Vermoedelijk heeft het hof over het hoofd gezien dat de meldingsplicht überhaupt niet geldt, indien verzekeringsnemer niet op de hoogte was van een bestemmingswijziging en bewijst dat hij dat redelijkerwijs ook niet kon zijn (vgl. de aanhef van art. 7), en dat dit zodoende ook invloed heeft op het feit dat bij het uitblijven van een dergelijke mededeling de verzekering van rechtswege eindigt (zie de laatste alinea van art. 7). Immers, als door [eiser]
voldoende onderbouwdzou zijn aangetoond dat hij niet wist dan wel behoorde te weten van de hennepkwekerij, dan gold er überhaupt geen mededelingsplicht, en zou er ook geen sprake kunnen zijn van beëindiging van rechtswege na het verstrijken van de genoemde twee maanden-termijn.