Conclusie
1.Inleiding
2.Bespreking van het cassatiemiddel
onderdeel 1zijn door de Hoge Raad reeds wegens gebrek aan feitelijke grondslag verworpen in rov. 3.5.2 van het verwijzingsarrest. De Hoge Raad heeft overwogen dat uit rov. 4.5 van het bestreden arrest blijkt dat het hof niet heeft miskend dat [verweerder] bij [eiseres 1] werkzaam was zowel op basis van een tussen hem en [eiseres 1] gesloten arbeidsovereenkomst als in de hoedanigheid van bestuurder (in vennootschapsrechtelijke zin) van [eiseres 1], en voorts dat het hof heeft onderkend dat [eiseres 1] haar vorderingen mede heeft gebaseerd op schending door [verweerder] van de krachtens art. 2:9 BW Pro op hem rustende verplichting tot behoorlijke vervulling van zijn taak.