Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Bespreking van het cassatiemiddel
Onderdeel 1valt uiteen in twee subonderdelen.
Subonderdeel 1.1betoogt dat, voor zover het hof in het bestreden arrest heeft gemeend dat [verweerder] slechts op grond van een (arbeids)overeenkomst bij [eiseres 1] in dienst was en de vorderingen van [eiseres 1] daarom uitsluitend op niet-nakoming daarvan zouden zijn gebaseerd, het oordeel van het hof onvoldoende is gemotiveerd althans het hof buiten de rechtsstrijd in appel is getreden, aangezien [verweerder] in de periode van 20 juli 2001 tot 31 december 2006 ook (in vennootschapsrechtelijke zin) bestuurder van [eiseres 1] is geweest. In aansluiting hierop betoogt
subonderdeel 1.2dat, voor zover het hof heeft geoordeeld dat [eiseres 1] haar vorderingen uitsluitend heeft gebaseerd op de tussen haar en [verweerder] gesloten (arbeids)overeenkomst, het hof een onbegrijpelijke uitleg heeft gegeven van de processtukken, omdat [eiseres] c.s. (o.a.) de vordering van [eiseres 1] met name en in de eerste plaats hebben gebaseerd op schending van art. 2:9 BW Pro wegens onbehoorlijke taakvervulling jegens [eiseres 1].
subonderdeel 2.1wordt betoogd dat het hof heeft miskend dat een uit art. 2:9 BW Pro wegens onbehoorlijke taakvervulling voortvloeiende verbintenis – onafhankelijk van de vraag of de bestuurder zijn bestuurswerkzaamheden mede op grond van een arbeidsovereenkomst verricht – kwalificeert als verbintenis uit overeenkomst in de zin van art. 5, punt 1, sub a EEX-Vo. Nu er hypothetisch vanuit kan worden gegaan dat de bestuurstaak in Nederland werd uitgevoerd of moest worden uitgevoerd, heeft de Nederlandse rechter rechtsmacht ten aanzien van de op schending van art. 2:9 BW Pro gebaseerde vordering van [eiseres 1] jegens [verweerder].
Subonderdeel 2.2betoogt dat het hof heeft miskend dat een uit art. 2:9 BW Pro voortvloeiende verbintenis kwalificeert als een verbintenis uit onrechtmatige daad op basis van art. 5, punt 3, EEX-Vo.
Subonderdeel 2.3klaagt dat, voor zover het hof heeft geoordeeld dat een uit art. 2:9 BW Pro voortvloeiende verbintenis kwalificeert als individuele verbintenis uit arbeidsovereenkomst in de zin van art. 18 lid 1 EEX Pro-Vo, het oordeel van het hof onjuist althans onbegrijpelijk is, omdat deze verbintenis niet voortvloeit uit een arbeidsovereenkomst maar uit de in art. 2:9 BW Pro neergelegde vennootschapsrechtelijke verplichting tot behoorlijke taakvervulling.
Subonderdeel 2.4betoogt in de kern genomen dat het enkele feit dat bepaalde gedragingen ook een schending van de verplichtingen uit individuele arbeidsovereenkomst kunnen opleveren, nog niet bij uitsluiting de rechter van de woonplaats van de werknemer (art. 20 lid 1 EEX Pro-Vo) bevoegd maakt.
Onderdeel 2.5bouwt hierop voort.
subonderdeel 2.1naar mijn mening slaagt, nu de primaire vordering van [eiseres] c.s. is gebaseerd op onbehoorlijke taakvervulling zoals bepaald in art. 2:9 BW Pro. De Nederlandse rechter kan aan art. 5, punt 1, sub a EEX-Vo internationale bevoegdheid ontlenen wanneer de verbintenis die aan de vorderingen ten grondslag ligt, op Nederlands grondgebied is of moet worden uitgevoerd. De verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt is de verbintenis tot behoorlijke taakvervulling. Blijkens het partijdebat in appel, verschillen partijen van mening over de vraag of deze verbintenis in Nederland werd of diende te worden uitgevoerd. [16] Op grond van de genoemde prejudiciële beslissing van 22 maart 1983 kan echter worden aangenomen dat de plaats van vestiging van de betrokken vennootschap waarin de vennootschappelijk bestuurder zijn bestuursactiviteiten heeft uitgeoefend als plaats van uitvoering in de zin van art. 5, punt 1, sub a EEX-Vo heeft te gelden. [17] Voor het stellen van prejudiciële vragen aan het HvJEU zie ik in deze zaak geen reden, nu sprake is van een acte éclairé. Voor zover de vordering inzake onbehoorlijke taakvervulling mede betrekking heeft op het bestuur van de Duitse vennootschappen, volgt uit het bovenstaande dat de Nederlandse rechter daarvoor geen rechtsmacht toekomt op basis van art. 5, punt 1, sub a EEX-Vo, omdat deze Duitse vennootschappen niet in Nederland zijn gevestigd. Uit het partijdebat in appel blijkt overigens dat het een discussiepunt is geweest of de vordering inzake onbehoorlijke taakvervulling betrekking heeft op uitsluitend het bestuur van de Duitse vennootschappen [18] dan wel ook ziet op het bestuur van [eiseres 1]. [19] Is dat laatste het geval, dan zou de Nederlandse rechter voor die vordering rechtsmacht op basis van art. 5, punt 1, sub a EEX-Vo mogen aannemen, nu [eiseres 1] in Nederland is gevestigd. Het hof heeft de daarop betrekking hebbende grief I van [eiseres] c.s. onbehandeld gelaten, zodat deze vraag in het geding na verwijzing aan de orde zal moeten komen.
subonderdelen 2.2, 2.3 en 2.4falen op grond van het volgende. De grondslag van de vordering tegen [verweerder] uit hoofde van onbehoorlijke taakvervulling als directeur wegens opzet dan wel bewuste roekeloosheid is gelegen in de arbeidsovereenkomst tussen [verweerder] en de betrokken vennootschappen. Voor vorderingen uit individuele arbeidsovereenkomsten voorziet de EEX-Verordening (evenals het EEX-Verdrag) in autonome bevoegdheidsbepalingen opgenomen in art. 18 t/m 21 EEX-Vo. Art. 5, punt 1, sub a EEX-Vo is op een vordering uit een individuele arbeidsovereenkomst niet van toepassing. [20] In rov. 4.5 merkt het hof op dat [eiseres 1] geen feiten heeft gesteld die de conclusie rechtvaardigen dat de rechtsverhouding die tussen hen beiden heeft bestaan niet als een arbeidsovereenkomst in de zin van art. 18 lid 1 EEX Pro-Vo moet worden gekwalificeerd. Krachtens art. 20 lid 1 EEX Pro-Vo kan de vordering die de werkgever instelt tegen zijn werknemer slechts worden gebracht voor de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan de werknemer woonplaats heeft. Hieruit volgt dat de Nederlandse rechter ten aanzien van de op de arbeidsovereenkomst van [verweerder] gebaseerde vordering wegens onbehoorlijke taakvervulling geen rechtsmacht heeft, omdat [verweerder] niet woonachtig is in Nederland.
onderdeel 3keren zich tegen het in rov. 4.5 vervatte oordeel van het hof met betrekking tot de vorderingen van [eiseres 1] die zijn gebaseerd op onrechtmatige daad. De klachten bouwen voort op de subonderdelen 2.2 t/m 2/5 en moeten het lot daarvan delen.