Conclusie
1.Feiten
“bouwplan [a-straat] ”, heeft de Gemeente aan [verweerster] geschreven:
Overwegende,
“voortgangsplanning, d.d. 13 december 2006”. Uit deze planning kan worden afgeleid dat de fase van de bouwaanvraag de periode november en december 2006 zou beslaan. De fase “art 19-2 WRO” zou volgens de planning de periode januari 2007 tot en met half april 2007 beslaan. De fase van het bouwrijp maken zou de tweede week van mei 2007 beginnen. De fase realisatie zou volgens de planning half juli 2007 beginnen. Half maart 2008 zou het project zijn afgerond.
2.Procesverloop
ruimtelijkeonderbouwing en B en W nota (…)
beletselenharerzijds anderszins na 2 februari 2007 geen sprake is geweest.
3.Bespreking van het cassatiemiddel
Overwegingen voor verdere gang van zaken
onderdeel 1stelt de Gemeente dat zij zich meermalen heeft beroepen op de brief van 17 december 2007 met de stelling dat daaruit blijkt dat de exploitatieovereenkomst op 7 september 2007 niet zozeer is ontbonden omdat de Gemeente zou zijn tekortgeschoten in de nakoming van de daaruit voortvloeiende inspanningsverplichtingen, maar omdat [verweerster] zich op de kortst mogelijke termijn wilde bevrijden van haar verplichtingen uit die overeenkomst, toen haar duidelijk werd dat de Woningstichting St. Joseph zich uit het project zou terugtrekken en geen grond meer wilde afnemen. Uit deze brief en de brief van 17 oktober 2008 volgde volgens de Gemeente tevens dat [verweerster] helemaal niet van plan was de vergunning met vrijstelling te gebruiken, óók niet als die overeenkomstig de ingebrekestelling in september 2007 zou zijn verleend.
de Woningstichting’) zich op een gegeven moment uit het bouwproject definitief heeft teruggetrokken. Zonder deelname van de Woningstichting kon [verweerster] het project niet realiseren, althans niet op de wijze die zij voor ogen had. (…)
“Mede anticiperend hierop (…)”). Dat de kans nihil was dat de bouwvergunning vóór 18 december 2008 definitief zou worden, stond echter niet los van het tekortschieten van de Gemeente (de late vergunningverlening), maar hield daarmee rechtstreeks verband.
onderdeel 2 onder 2.1aan met de stelling dat de Gemeente zich op de inhoud van de brief van 17 december 2007 heeft beroepen met het verweer dat de door [verweerster] geconstateerde tekortkoming slechts een voorwendsel vormde voor de ingebrekestelling, het inroepen van de beweerde niet-nakoming en de ontbinding en dat dit voorwendsel niet behoort te leiden tot het oordeel dat de Gemeente wanprestatie heeft gepleegd.
onder 2.2 betreft ’s hofs oordeel in de rov. 4.16-4.17 omtrent de aan de Gemeente verzonden ingebrekestelling en bouwt op de voorgaande klacht voort. Volgens de Gemeente kon de
“(misbruikelijke) ingebrekestelling”niet tot gevolg hebben dat zij in verzuim kwam te verkeren, óók niet doordat de Gemeente naar aanleiding daarvan heeft laten weten dat het niet mogelijk zou zijn de vergunning met vrijstelling begin september af te geven. Deze laatste omstandigheid doet mijns inziens niet ter zake, nu als in cassatie onbestreden vaststaat dat de gestelde termijn voor nakoming redelijk was. Voor het overige moet de klacht falen om de bij de bespreking van de voorgaande klacht aangevoerde redenen. Daarbij verdient opmerking dat de Gemeente in cassatie voor het eerst stelt - op de in cassatie genoemde vindplaatsen lees ik een dergelijke stellingname niet - dat de ingebrekestelling enkel het doel diende [verweerster] te bevrijden van haar verplichtingen
“op zodanige manier dat [verweerster] niet alleen de verplichtingen die voor haar uit art. 12 van Pro de Koopovereenkomst zou(den) voortvloeien kon vermijden, maar omgekeerd de Gemeente ook nog eens kon laten opdraaien voor haar (…) eigen problemen, voor(t)komende uit een tot haar eigen risicosfeer behorende gebeurtenis.”
onder 4.1. Anders dan de Gemeente veronderstelt, heeft het hof
nietgeoordeeld dat de maatschappelijke onrust onvoldoende in de planning zou zijn verdisconteerd, laat staan dat dit aan de Gemeente kan worden toegerekend. Evenmin volgt uit de bestreden overweging dat de bekendheid met de maatschappelijke onrust heeft bijgedragen aan ’s hofs oordeel dat niet aan de inspanningsverplichting is voldaan. Het hof heeft in rov. 4.15 niet meer overwogen dan dat het, mede gelet op die onrust en de wens van de Gemeente de raad over het project te informeren alvorens op de zienswijzen te reageren,
temeerop de weg van de Gemeente had gelegen om,
overeenkomstig haar inspanningsverplichtinghet traject van vrijstelling en vergunningverlening
conform de (nadere) afsprakenomtrent termijnen zo voortvarend mogelijk te doen verlopen .
onderdeel 5ziet op rov. 4.15 [14] , maar dan voor zover het hof is ingegaan op de wens de raad in de besluitvorming te betrekken.
tegenvallendemaatschappelijke onrust wordt gesproken [16] , mist deze klacht naar mijn mening doel. Om welke reden de Gemeente de raad bij het project wilde of moest betrekken, doet mijns inziens niet ter zake. Waar het om gaat, is dat de Gemeente tevoren wist dat zij de raad nader bij het project diende te betrekken en dat zij dit naar ’s hofs oordeel eerder had kunnen en behoren te doen.
onder 5.2dat zij erop heeft gewezen dat de noodzaak om de raad veel nauwer bij het besluitvormingsproces te betrekken het gevolg was van het feit dat de weerstand tegenviel en hardnekkiger en sterker was dan verwacht [17] . Ook hier geldt dat een dergelijk betoog niet is te lezen op de vindplaatsen waarnaar wordt verwezen [18] . Waar de Gemeente vervolgens klaagt dat het gaat om omstandigheden die zich hebben voorgedaan na het ondertekenen van de exploitatieovereenkomst, zodat niet duidelijk is hoe en waarom het hof tot het oordeel komt dat zij daarop ten tijde van het ondertekenen had moeten anticiperen, geeft zij blijk van een onjuiste lezing van de bestreden overweging. Het hof heeft noch overwogen dat de Gemeente op de door haar in cassatie genoemde omstandigheden had moeten anticiperen, noch dat zij zulks had moeten doen ten tijde van de ondertekening van de exploitatieovereenkomst. Het hof heeft overwogen dat de Gemeente had moeten anticiperen op haar wens de raad te informeren alvorens op de zienswijzen te beslissen, door daartoe eerder ruimte te creëren. Dat is iets anders dan dat de Gemeente op de bedoelde omstandigheden had moeten anticiperen. Tot slot kan uit ’s hofs oordeel dat de Gemeente niet aan haar inspanningsverplichting heeft voldaan, niet worden afgeleid dat het hof van oordeel zou zijn dat de door de Gemeente in cassatie bedoelde omstandigheden niet een rol zouden kunnen of behoren te spelen bij de beantwoording van de vraag of de Gemeente aan haar inspanningsverplichting had voldaan. Ook in zoverre mist de klacht feitelijke grondslag.
onder 5.3berust op de onjuiste lezing dat het hof heeft geoordeeld dat de Gemeente op de zienswijzen had kunnen reageren voordat de raad bij het project werd betrokken. Het hof heeft niet in die zin geoordeeld. De bestreden overweging houdt in dat de Gemeente had moeten anticiperen op haar wens de raad te informeren, alvorens op de zienswijzen te beslissen. Zij had daartoe eerder ruimte moeten creëren, in welk geval zij naar ’s hofs oordeel de gelegenheid had gehad nog voor de zomermaanden op de zienswijzen te beslissen.
onder 5.4stelt, maar niet nader uitwerkt, is ’s hofs oordeel niet onjuist of onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd. Het hof heeft op een voldoende begrijpelijke wijze toegelicht waarom ook de in art. 2 onder Pro c van de exploitatieovereenkomst genoemde publiekrechtelijke verantwoordelijkheid van de Gemeente in de gegeven omstandigheden het opgetreden verwijl in de verlening van de vrijstelling en bouwvergunning niet kan rechtvaardigen.
onderdeel 6keert de Gemeente zich tegen ’s hofs oordeel in rov. 4.18 (en 4.12) dat [verweerster] mede gelet op de verkoopopgave een gereed belang bij nakoming van de planning had. Volgens de Gemeente is dit oordeel onjuist, althans onbegrijpelijk.
“(…) De gemeente Almelo heeft de planning fors overschreden zonder daarvoor een afdoende motivering te kunnen geven. Van een tekortkoming die de ontbinding, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, met haar haar gevolgen niet rechtvaardigt is dan ook geen sprake.” [19] ). Dit oordeel, dat in cassatie niet wordt bestreden, kan de verwerping van het standpunt van de Gemeente reeds dragen [20] . De verwijzing naar de verkoopopgave van [verweerster] vormde slechts een ondersteunend argument. Bij die stand van zaken mist de Gemeente mijns inziens belang bij de klacht van het onderdeel. Zie ik het wel, dan is dat ook wat [verweerster] in haar schriftelijke toelichting onder 4.3.1 betoogt. Ten overvloede zal ik hieronder nader op de afzonderlijke klachten ingaan [21] .
aanvangvan haar verkoopinspanningen. Die stellingen laten ’s hofs oordeel in rov. 4.12, laatste volzin, dat [verweerster] daarbij wel belang had voor de
voortgangvan haar verkoopinspanningen (
“(…) [verweerster] had voor de aanvang en/of voortgang van haar verkoopinspanningen bij zekerheid omtrent de verlening van vrijstelling en bouwvergunning immers groot belang.”), echter onverlet.
onder 6.2lijdt aan het manco dat zij berust op stellingen die in feitelijke aanleg niet zijn betrokken. Op de in cassatie genoemde vindplaatsen heeft de Gemeente wel erop gewezen dat de relevante ontbindingsmogelijkheid is opgenomen op verzoek van [verweerster] , maar daar kan niet worden gelezen dat de ontbindingsmogelijkheid in het belang van [verweerster] was, dat ontbinding bij het niet realiseren van de verkoopopgave geen automatisme was, dat de Gemeente op deze ontbindingsgrond geen beroep zou doen en dat [verweerster] het risico dat het op die grond tot ontbinding zou komen, over zichzelf heeft afgeroepen [27] . De wél betrokken stelling kan aan het door het hof geconstateerde gereed belang niet afdoen. Overigens komt het mij voor dat de kennelijke vrees van [verweerster] dat de Gemeente bij het niet voldoen aan de verkoopopgave een beroep op de hier bedoeld ontbindingsgrond zou doen, in het licht van de in de hierboven geciteerde brieven genoemde omstandigheden niet op voorhand ongegrond was.