Conclusie
1.Feiten en procesverloop
( [2] )Mede omdat Danone naar het oordeel van de rechtbank de door Globlocity aan deze verklaring gegeven uitleg niet voldoende heeft bestreden, houdt de rechtbank het standpunt van Globalocity met betrekking tot (de grondslag en omvang van) de verschuldigde licentievergoeding van 5% voor juist, met dien verstande dat de rechtbank van oordeel is dat bij de bepaling van de verschuldigde licentievergoeding niet de werkzaamheden, die Globalocity vóór het tot stand komen van de Overeenkomst 2000 zijn verricht, in aanmerking kunnen worden genomen. De totaal verschuldigde vergoeding stelt de rechtbank vast op een bedrag van €1.464.347,= exclusief BTW, waarop het al betaalde bedrag van € 110.000,= in mindering is te brengen. In het eindvonnis veroordeelt de rechtbank Danone tot betaling van een bedrag van € 1.354.347,= te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW.
“Volgens Danone zijn de bedragen van deze maandfacturen, voor een totaalbedrag van f 3.605.000,-, “alle kosten (het totaal van alle facturen) die voortkomen uit het ontwikkelcontract”.
“Nu Globalocity geen bewijs heeft aangeboden van voldoende geconcretiseerde feiten en/of omstandigheden die steun zouden kunnen bieden aan de door haar in deze procedure gepropageerde uitleg van de overeenkomsten 2000 en 2002 voor zover het de licentiekosten betreft, gaat het hof aan die uitleg als onvoldoende gesubstantieerd voorbij.”
2.Bespreking van het cassatiemiddel
( [3] )
( [4] )Hierop strandt onderdeel 3.