Conclusie
website-blocking: een rechterlijk bevel tegen Ziggo c.s. tot blokkade van toegang van haar abonnees tot in dit geval een BitTorrent indexsite, The Pirate Bay (TPB), die al zonder executabel succes rechtstreeks is aangepakt door Brein. De rechtbank wees dat toe, het hof niet, voornamelijk omdat deze maatregel niet effectief zou zijn.
1.Feiten en procesverloop
abonneesvan Ziggo c.s. inbreuk plegen met gebruikmaking van de diensten van Ziggo c.s. Nu de rechtbank de vorderingen van Brein op die gronden al toewijsbaar heeft geoordeeld, heeft zij het standpunt van Brein onbesproken gelaten dat ook TPB van de diensten van Ziggo c.s. gebruik heeft gemaakt om inbreuk te plegen (vgl. rov. 4.51 eindvonnis). De stelling van Ziggo c.s. dat de gevorderde blokkades niet effectief zijn, is door de rechtbank verworpen op de grond dat de blokkades, ook al zijn er ongetwijfeld abonnees die deze zullen weten te omzeilen, in ieder geval een extra barrière betekenen.
2.Beoordeling van het principaal cassatieberoep
onderdeel Ia.2geldt dit temeer in verband met een aantal door Brein ingenomen en door het hof in het midden gelaten stellingen - die erop neerkomen dat TPB zelf openbaar maakt [11] .
onderdeel Ia.3een (actieve) interventie van TPB, waardoor ter beschikking van het publiek wordt gesteld, waarbij in cassatie vaststaat dat wordt gehandeld uit winstbejag en een nieuw publiek wordt aangeboord.
onderdeel Ia.4dat onjuist/onbegrijpelijk is dat uit de andere feiten die Brein heeft genoemd bij MvA 335-390 niet kan worden afgeleid dat TPB méér doet dan het bieden van toegang tot informatie die nodig is om toegang tot geüploade werken te krijgen.
onderdeel Ia.5heeft het hof ten onrechte/onbegrijpelijkerwijs niet in zijn oordeel betrokken dat “het op een website plaatsen van aanklikbare links naar werken” volgens HvJEU-rechtspraak een mededeling oplevert. Zeker nu er in cassatie van kan worden uitgegaan (MvA 340-343 en pleitnota Brein appel 28-31) dat de magnet links op de website van TPB naar werken verwijzen en dat (mede dankzij de op internet alom aanwezige BitTorrenttechniek) louter door het klikken op die links die werken vrijwel onmiddellijk worden opgeroepen en afgespeeld, zonder dat enige aanvullende actie van gebruikers nodig is. Daaraan doet volgens de rechtspraak van het HvJEU niet af dat de technische weg die werken afleggen om bij de gebruiker te geraken “indirect” is, zodat het hof niet had mogen volstaan met die constatering, althans heeft het hof niet duidelijk gemaakt waarom in geval van een “indirecte weg” geen sprake is van “een handeling bestaande in een mededeling”, met name wanneer de link werken onmiddellijk oproept wanneer deze worden “aangeklikt”.
onderdeel Ia.6ook onjuist/onbegrijpelijk, omdat het hof kennelijk doorslaggevend acht of sprake is van een “interventie”. Althans is onjuist en onbegrijpelijk dat het hof afwezigheid van een interventie vindt volstaan, nu voor een mededeling aan het publiek een “interventie” geen constitutief vereiste is; “opstarten” volstaat. Nu daarnaast in cassatie vaststaat dat (door TPB) een nieuw publiek wordt aangeboord en dat sprake is van winstbejag door TPB, dat TPB een centrale rol vervult (zoals aangevoerd in de onderdelen 1a.1 en 1a.2) en verder dat de ondergrens - het louter ter beschikking stellen van fysieke installaties - ruimschoots is gepasseerd, is het non-mededelingsoordeel oordeel van het hof onbegrijpelijk.
inter seunlawfully swap and share files containing works protected by copyright. Conceptually, such sites are best seen as “pointing to” infringing material since they do not directly host it, nor transmit it to peers. There are three or four clear generations of P2P systems and each has generated different legal issues and interpretations.
interventieof tussenkomst, die iemand
bewustverricht en daarbij een
centrale rolspeelt waardoor een (enigszins)
onbepaaldpubliek van
enige omvangwordt bereikt of kan worden bereikt, dat
ontvankelijkis om van het werk te genieten, voor zover dat publiek
nieuwis, dat wil zeggen,
nietis
ingecalculeerdbij een eerdere voorafgaande mededeling aan het publiek óf wanneer sprake is van wederdoorgifte (aan hetzelfde publiek) via een
andere techniekdie niet slechts op ontvangstverbetering ziet. Het hebben van een
winstoogmerkkan hierbij van belang zijn, maar is niet doorslaggevend.”
bij gebreke van de vereiste interventiedoor TPB aangenomen dat er geen sprake is van een mededeling aan het publiek, zodat het navolgende zich daarop toespitst. Interventie is het welbewust tussenkomen om toegang tot het werk te verlenen en vereist volgens Hoteles (punt 42) [26] en Del Corso (punt 82) [27] : met volledige kennis van de gevolgen van het interveniërende gedrag actief bijdragen om derden toegang tot het beschermde werk te verlenen [28] . Zonder deze tussenkomst zouden derden, hoewel zij zich fysiek in deze zone bevinden, in beginsel niet van het uitgezonden werk kunnen genieten.
Toestemming voor mededeling aan het publiek per satelliet
directe toegangtot de gegevens.
pure passiviteitvan een partij als TPB of niet. In rov. 47 van deze uitspraak heet het dat de beheerders van de daar aan de orde zijde websites “intervene, in full knowledge of the consequences of their actions, to give others access to the Claimants’ copyright works”. In de Paramount/Sky2-uitspraak [38] is dat herhaald met verdiscontering van de toen inmiddels gewezen Luxemburgse zaak TV Catchup, waarbij geconcentreerd wordt op het effect van de acties van de intermediairs, welk handelen in rov. 32 wordt getypeerd als “intervening in a highly material way to make the copyright work available to a new audience”, in rov. 34 vervolgd met “Indeed, the evidence in the present case makes it clear that it would be very difficult for members of the public to access much of the content directly from the host sites if it were not made available by the Websites. Even where the content could be accessed from the host sites, the Websites make it much easier for members of the public to find what they want. Viewed from the perspective of the user, the Websites do in a very real sense make the content available to the public.” Ook in het recente Cartier/Sky [39] is dat bevestigd, opnieuw door Arnold J, die constateert dat het afwijkende oordeel van Hof Den Haag in de onderhavige zaak niet spoort met inmiddels vaste rechtspraak van de High Court op dit punt.
downloadenuit illegale bron auteursrechtinbreuk vormt – anders dan tot dan toe in Nederland werd aangenomen. Ik wijs verder nog op de kritische noot van Seignette onder Premier League/MyP2P [44] , waarin zij een lans breekt voor een ruimer auteursrechtelijk bereik in dit soort gevallen en de lijn in de rechtspraak om dit niet te doen afdoet als “nogal gekunsteld”:
SGAE/Rafael Hotelesdat de terbeschikkingstelling van fysieke faciliteiten die de toegang tot uitgezonden werken technisch mogelijk maken zodanig dat het signaal aan de hotelgasten wordt doorgegeven (tv’s in de hotelkamers), een mededeling aan het publiek oplevert, zonder dat behoeft te worden nagegaan welke techniek van doorgifte van het signaal is gebruikt.[12: vindplaats Hoteles, A-G]. Het Haagse hof in
FTD/Eyeworksoverwoog naar aanleiding hiervan dat een mededeling aan het publiek niet alleen kan bestaan in het verzenden van een signaal dat het werk vervat, maar ook in het verschaffen van toegang tot het signaal, waarbij ‘het niet van beslissend belang is of het publiek daadwerkelijk toegang tot het werk heeft; voldoende is de loutere mogelijkheid van het publiek om het werk waar te kunnen nemen.’[13: Hof ’s-Gravenhage 15 november 2010, IER 2011/128 m.nt. K.J. Koleman (
FDT/Eyeworks), r.o. 3.4].
Shareconnectoroverwoog het Amsterdamse hof zonder verdere motivering dat de feiten geen steun boden om mede-openbaarmaking door bittorrent provider Shareconnector en de peers aan te nemen.[14: Hof Amsterdam 16 maart 2010, IER 2010/78 m.nt. M. de Cock Buning (
Sjhareconnector), r.o. 3.6.]. In
FTD/Eyeworksoverwoog het Haagse hof dat de figuur van mede-openbaarmaking mogelijkerwijs valt af te leiden uit art. 31 Aw Pro in verbinding met art. 47 Sr Pro en art. 6:162 BW Pro, waarvoor dan aldus het hof in ieder geval vereist is een nauwe en bewuste samenwerking tussen FTD en de andere mede-openbaarmaker(s).[15: Hof ’s-Gravenhage 15 november 2010, IER 2011/2 m.nt. K.J. Koelman (
FDT/Eyeworks), r.o. 3.7. In dezelfde zin Rb. Haarlem 11 februari 2011, IEPT 20110209 (
Brein/FDT), r.o. 4.10]. Daarmee legt het hof de lat hoog. En wellicht hoger dan vanuit civielrechtelijk opzicht gerechtvaardigd is. Boonekamp acht bewuste samenwerking een te zware eis voor hoofdelijke groepsaansprakelijkheid in de zin van art. 6:166 BW Pro. Er moet aldus Boonekamp sprake zijn van bewuste samenhang, bewustzijn bij de individuele deelnemers dat anderen naast hen met hetzelfde bewustzijn van gemeenschappelijk optreden bij bepaalde gedragingen in groepsverband betrokken zijn.[16: R.B.J. Boonekamp,
Onrechtmatige daad in groepsverband volgens NBW, p. 94-95]. Overigens kan men zich afvragen of dat bewustzijn er bij de individuele peers van het Myp2p-netwerk wel is. Zij willen gewoon naar sport kijken en zijn er niet mee bezig en zich er mogelijk ook niet bewust van dat zij onderdeel zijn van een netwerk van peers die met hun computers en internetverbinding instrumenteel zijn in de verspreiding van de streams. Myp2p is zich dat uiteraard wel bewust, zij heeft dat immers zo georganiseerd. Hetgeen mijns inziens in ieder geval de verantwoordelijkheid van Myp2p voor de openbaarmaking onderstreept. [45] “
Hoofdvraag zou simpelweg kunnen zijn of het door (de beheerders van) TPB gehanteerde systeem waarbij TPB op haar site geen werken openbaar maakt, maar wel meta-informatie van die werken indexeert op de wijze als beschreven door het hof in rov. 1.a als hiervoor weergegeven in randnummer 1.1.1 kwalificeert als mededeling aan het publiek door TPB. Een subvraag zou kunnen zijn of althans het gegeven dat TPB bij dit stelsel een leidende/bepalende/faciliterende/organiserende/uitlokkende rol speelt, kan leiden tot de kwalificatie dat TPB doet aan “(mede-)mededeling aan het publiek”, met als consequentie dat zij naar nationaal recht ook auteursrechtelijk hoofdelijk aansprakelijk kan zijn naast de “peers” en de “seeders”.Bij Borgersbrief kunnen de advocaten van partijen dan nog input geven over de uiteindelijk te stellen vragen.
onderdeel Ib.1volgt uit onderdeel Ia dat TPB niet alleen auteursrechtinbreuk maakt met betrekking tot het “artwork”, maar ook met betrekking tot de werken zelf. Art. 26d Aw is ook van toepassing op die inbreukmakende handelingen.
gezien het aandeel of de betrokkenheid van de tussenpersoonbij de inbreuk en of het met de vordering beoogde doel en het belang van de rechthebbende opweegt tegen het nadeel dat of de schade die de vordering de tussenpersoon eventueel toebrengt. (…) De vordering blijft beperkt tot een bevel tot staking van de
diensten die door de derde worden gebruikt om inbreuk te maken. Andere bijkomende vorderingen zijn niet mogelijk. Ook schept dit artikel geen aansprakelijkheid van de tussenpersoon ten aanzien van de inbreukmakende handelingen door de derde.” (cursiveringen A-G).
positievebeantwoording van de hiervoor bij onderdeel Ia voorgestelde prejudiciële vraag of TPB meedeelt aan het publiek past het blokkadebevel wel naadloos in Telekabel Wien. Dan maakt TPB immers zelf openbaar met gebruikmaking van de diensten van de providers en moeten die providers in beginsel een blokkadebevel van TPB kunnen krijgen. Zolang dat niet is uitgemaakt of
negatiefwordt beslist, geldt dat niet zonder meer. Het kost enige spankracht van het denken om dat helder te zien, maar in de pleitnota in cassatie van Ziggo c.s. in 3.8 wordt het denk ik op juiste wijze op scherp gezet: “Wat Brein wil is één “dienst” verbieden waarmee
geeninbreuk wordt gemaakt, alleen maar omdat die dienst kan vergemakkelijken dat vervolgens met een
andere“dienst”, die ongemoeid wordt gelaten,
welinbreuk wordt gemaakt”. Ik ben er bepaald niet zeker van of op grond van de gegeven ruime uitleg in Telekabel Wien van “inbreuk” ook zonder dat sprake zou zijn van meedelen door TPB een op art. 8 lid 3 van Pro de richtlijn te baseren blokkadebevel van TPB mogelijk is, op grond van de door Brein bepleite redenering: er is dan immers toch sprake van “inbreuk” op het internet. Dat lijkt op gespannen voet met de bedoeling van de Nederlandse wetgever te komen, als je de parlementaire geschiedenis van art. 26d Aw tot je laat doordringen. Overigens is dat bij
positievebeantwoording van de bij onderdeel Ia te stellen prejudiciële vragen niet beslissend, want art. 26d Aw moet richtlijnconform worden uitgelegd.
volgende subvraagdringt zich dan op bij
negatievebeantwoording van de onder Ia geformuleerde prejudiciële vragen.
Die vraag is of in dat geval niettemin (als het ware in uitbreiding op de Telekabel Wien-leer) een bevel tegen de providers om TPB te blokkeren in beginsel kan zijn gerechtvaardigd, omdat het als facilitatiewerk van de inbreuk door TPB aan te merken handelen in feite door de diensten van de providers mogelijk wordt gemaakt langs de lijnen van punt 32 van Telekabel Wien, zodat dit op één lijn is te stellen met de situatie dat op TPB rechtstreeks inbreukmakende werken aan het publiek zouden worden medegedeeld.Indien besloten zou worden tot het stellen van prejudiciële vragen bij onderdeel Ia, lijkt mij aangewezen dat de zo-even bedoelde volgende tweede subvraag ook meteen gesteld wordt om redenen van proceseconomie. Dat men in andere Europese landen deze horde meteen neemt, zoals Brein aanvoert, maakt volgens mij niet dat er geen redelijke twijfel bestaat op dit punt, zodat het niet stellen van vragen eerderbedoeld Köbler-risico in zich bergt. De gedachte aan deze ruime leer over maatregelen tegen tussenpersonen is te baseren op het bij herhaling in Telekabel Wien benadrukte te realiseren hoge beschermingsniveau. Zoals Brein aangeeft in haar pleitnota in cassatie nr. 48, is door het “inbouwen” van tussenschakels omzeiling van art. 26d Aw op misschien wel te eenvoudige wijze te realiseren. De provider hoeft volgens Telekabel Wien geen contractuele band met de inbreukmaker te hebben om een blokkadebevel te krijgen, omdat niets in de richtlijn “indicates that a specific relationship between the person infringing copyright or a related right and the intermediary is requires”, aldus de Engelse versie van punt 35. Je bent al tussenpersoon in de zin van art. 8 lid 3 van Pro de richtlijn als je een “person” (bent) “who carries a third party’s infringement of a protected work or other subject-matter in a network”, zoals de Engelse versie van punt 30 luidt, waarbij inbreuk omvat “the case of protected subject-matter placed on the internet and made available to the public without the agreement of the rightholders at issue” (Engelse versie van de definitie uit punt 31). Ook is niet nodig dat wordt aangetoond dat klanten van de providers zich toegang verschaffen op de inbreukmakende website tot de illegale content.
negatievebeantwoording van de bij onderdeel Ia te stellen vragen) als niet-inbreukmaker
nietde in art. 8 lid 3 Auteursrechtrichtlijn Pro/art. 11 Handhavingsrichtlijn Pro/art. 26d Aw/art. 15e Wnr bedoelde “derde”, dus anders dan Brein bepleit (en bijvoorbeeld afleidt (vgl. pleitnota in cassatie nr. 69 sub b) uit punten 35, 36 van Telekabel Wien, dat gaat te ver volgens mij). De considerans van de Auteursrechtrichtlijn onder 59 veronderstelt immers een rechtstreeks verband tussen een auteursrechtelijk relevante handeling door een derde en de tussenpersoon. Art. 8 lid 3 van Pro die richtlijn veronderstelt dat ook en hetzelfde geldt voor art. 11 Hrl Pro. Bij “derden” uit art. 26a Aw moet het volgens mij gaan om inbreukmakers. Daar helpt de door Brein bepleite ruime definitie van “inbreuk” uit Telekabel Wien niet (voldoende concludent, namelijk niet buiten redelijke twijfel), omdat de casus in de Oostenrijkse hoofdzaak nu eenmaal een derde betrof (kino.to) die rechtstreeks inbreuk maakte. Onrechtmatig faciliteren valt daar zoals ik het nu zie dus buiten. Je ziet dat Brein bij de formulering van de klacht in onderdeel Ib.2 moeite heeft met het begrip “derden”: in dezelfde zin zijn dat de ene keer de providers, de andere keer de inbreukmakende abonnees. Ik denk dat dat niet opgaat. Dus als de in het vorige randnummer voorgestelde tweede prejudiciële subvraag
ontkennendwordt beantwoord, faalt volgens mij onderdeel Ib. Bij de incidentele beroepen over de reikwijdte van art. 26d Aw komen we nog op deze kwestie terug. De verleiding om dat deel van de klachten hier al te behandelen weersta ik, omdat dan te veel moet worden vooruitgelopen op het vervolg van het principale beroep.
Onderdeel IIavalt rov. 5.3-5.5 aan, waarin het hof de grenzen aangeeft van maatregelen tegen tussenpersonen die moeten voldoen aan de evenredigheids- en effectiviteitseis en waarbij rekening moet worden gehouden met de grondrechten uit het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie:
enerzijdszo moeten worden ingericht dat het doel van de Hrl, dat de daarin opgenomen maatregelen, waaronder de maatregel van artikel 11, 3e volzin, doeltreffend en afschrikwekkend zijn, kan worden bereikt, maar
anderzijdsde beperkingen moeten eerbiedigen die uit de Hrl en de rechtsbronnen waarnaar deze richtlijn verwijst, voortvloeien. In de punten 139 en 140 van het L’Oréal/eBay-arrest heeft het HvJEU hieromtrent nader overwogen dat ingevolge artikel 3 Hrl Pro de bij die richtlijn bedoelde maatregelen, waaronder de maatregel van artikel 11, 3e volzin, billijk en evenredig moeten zijn en niet overdreven kostbaar mogen zijn, terwijl uit artikel 3 van Pro die richtlijn tevens volgt dat de in een bevel omschreven maatregelen geen belemmeringen voor legitiem handelsverkeer mogen scheppen. De Nederlandse rechter moet zich bij de uitleg en toepassing van artikel 26d Aw op deze uitgangspunten richten en daarbij een passend evenwicht verzekeren tussen de betrokken rechten en belangen (punt 143 van het L’Oréal/eBay-arrest).
L’Oréal/eBay. Met name de volgende bepalingen van het Handvest zijn in dit verband van belang:
(…)
Intellectuele eigendom is beschermd.
Beperkingen op de uitoefening van de in dit Handvest erkende rechten en vrijheden moeten bij wet worden gesteld en de wezenlijke inhoud van die rechten en vrijheden eerbiedigen. Met inachtneming van het evenredigheidbeginsel kunnen slechts beperkingen worden gesteld, indien zij noodzakelijk zijn en daadwerkelijk beantwoorden aan door de Unie erkende doelstellingen van algemeen belang of aan de eisen van de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.’
L’Oréal/eBay-arresten artikel 52 lid 1 van Pro het Handvest neergelegde evenredigheidseis (of proportionaliteitseis), die er op neerkomt dat de gevorderde maatregelen in een redelijke verhouding moeten staan tot het daarmee beoogde doel. In zijn algemeenheid kan worden gezegd dat naarmate een maatregel minder effectief is, het beoogde doel daarmee minder gemakkelijk kan worden gerealiseerd en de maatregel dus minder snel in een redelijke verhouding tot dat doel zal staan.
Kino’-zaak.”
Erfolgsverbotkleurt deze zaak niet in belemmerende mate voor onze zaak):
gericht tot de instellingen, organen en instanties van de Uniemet inachtneming van het subsidiariteitsbeginsel,
alsmede, uitsluitend wanneer zij het recht van de Unie ten uitvoer brengen,
tot de lidstaten. Derhalve eerbiedigen zij de rechten, leven zij de beginselen na en bevorderen zij de toepassing ervan overeenkomstig hun respectieve bevoegdheden en met inachtneming van de grenzen van de bevoegdheden zoals deze in de Verdragen aan de Unie zijn toegedeeld.
indirectehorizontale werking van Unierechtelijke beginselen en het Handvest. Ook A-G Cruz Villalón geeft in punt 109 van zijn conclusie voor Telekabel Wien aan dat het aan de nationale rechters is om in het concrete geval met inachtneming van alle relevante omstandigheden een afweging te maken tussen de grondrechten van de betrokkenen en aldus een juist evenwicht tussen die grondrechten te verzekeren. Ook Uw Raad gaat er blijkens rov. 5.2.5 van het Geen Stijl/Playboy-arrest [69] van uit dat “de rechter in een hem voorgelegd geschil, indien de stellingen van de aangesproken partij daartoe aanleiding geven, dient te onderzoeken of in de omstandigheden van het geval bij toewijzing van de gevraagde maatregel, gelet op het beginsel van proportionaliteit, niet te zeer afbreuk wordt gedaan aan het grondrecht waarop de aangesproken partij zich beroept,” onder verwijzing naar Telekabel Wien, Scarlet/Sabam en de Straatsburgse Asby Donald-zaak [70] .
onderdelen III.1-10is dat een foute/onbegrijpelijke evenredigheids- en effectiviteitstoets is aangelegd door het hof door geen genoegen te nemen met het effect van de maatregel zelf, maar om maatgevend te vinden of het totale aantal inbreuken met BitTorrentverkeer van de abonnees van de providers is teruggelopen.
Onderdeel III.11bestrijdt daarna het oordeel over het “art work” uit rov. 5.25 als te beperkt.
verhinderd of minstens bemoeilijkten zij internetgebruikers die gebruik maken van de diensten van de providers
ernstig ontmoedigenom zich toegang te verschaffen tot deze illegale content. Volledige beëindiging wordt niet verlangd. Dit wordt in (buitenlandse) literatuur en rechtspraak ook in deze zin opgevat. Dat nemen wij nu in ogenschouw.
totaal aantal inbreuken na de maatregel via BitTorrentis toegenomen, zodat de blokkades niet effectief zouden zijn (rov. 5.22). Dat lijkt mij mede bezien in het licht van hoe daar in buitenlandse rechtspraak en literatuur tegen aan gekeken wordt, onjuist en zet in wezen het effectief optreden tegen IE-inbreuk in het algemeen op losse schroeven. Nog daargelaten dat het feit dat door de blokkades wordt uitgeweken naar andere torrentsites wijst op effectiviteit, want zonder blokkade behoeft immers niet te worden uitgeweken. Wat het hof doet is in het kader van de effectiviteitstoets van een blokkademaatregel van TPB verlangen dat (het achterliggende einddoel van Breins acties wordt gerealiseerd, namelijk dat) er een algehele afname plaatsvindt van inbreuken op IE-rechten via BitTorrent van de betrokken rechthebbenden. Dat kan niet de bedoeling zijn. Het criterium uit Telekabel Wien is: minstens bemoeilijken en ernstig ontmoedigen en deze invulling past daar naar mijn smaak niet in. In feite is door het hof omzeiling van de blokkades beslissend geacht (ondanks de vaststelling dat de maatregelen niet
zondereffect zijn) en dat is niet conform de te hanteren norm. Het doel van een TPB blokkade is het aantal bezoeken van TPB via de providers af te laten nemen (zodat het aantal inbreuken dat via TPB gerealiseerd wordt vermindert; het doel van zo’n maatregel kan niet zijn dat het algehele BitTorrent verkeer van abonnees van de providers wordt verminderd) en dat doel is volgens het hof in rov. 5.8 en 5.12 bereikt. We stoppen ook niet met het afsluiten van onze buitendeur uit ineffectiviteitsoverwegingen, omdat inbrekers toch wel binnen kunnen komen door een raam in te tikken of na een klautering over de schutting de achterdeur kunnen nemen, om een ietwat gechargeerde vergelijking te maken. Nog een gezichtspunt tegen dit criterium van het hof is dit: voorstelbaar is bijvoorbeeld dat een blokkade juist voor verstokte inbreukmakers een reden is om via een omweg
meerte gaan downloaden, met het idee: nu kan het nog, straks gaat dit ook op slot. Dat wijst dan juist in de richting van effectiviteit van de betrokken blokkademaatregel, zou ik zeggen; waar bij komt: TPB was (slechts) als eerste aan de beurt in deze proefprocedure over
website blocking. Dat staat nog naast het door het hof geonstateerde feit (dat op effectiviteit wijst) dat kort gezegd de abonnees die door de blokkade niet doorgaan met downloaden uit illegale bron downloaders zijn met minder ervaring. Het is natuurlijk van belang dat die groep niet uitgroeit tot wel ervaren downloaders. In het verlengde daarvan: ook houdt beoordeling van effectiviteit alleen aan de hand van rapporten die het aantal inbreuken betreffen ten onrechte geen rekening met indirecte en lange termijn effecten van blokkades. Het gaat als het ware om het creëren van een sneeuwbaleffect. Als keer op keer blokkeringsmaatregelen worden getroffen, worden eerst de niet erg behendige “luie”- internetgebruikers weerhouden en pas op een later moment wordt het mogelijk meer “sophisticated” inbreukmakers moeilijker gemaakt.
who are using the services of the addresseefrom accessing that subject-matter. The Court did not say that internet users who were using the services of other intermediaries must also be discouraged. Still less did the Court suggest that the adressee would be let off the hook if users used the services of other intermediaries instead.”
coversvan film en game DVD’s, muziek CD’s, boeken, filmposters en ander art work, titellijsten etc. (Zie pleitnota 11-11-’11, pars 61 e.v.)
productie 47). Dat is een rechtstreekse openbaarmaking van die werken. Reeds die openbaarmaking rechtvaardigt het gevraagde verbod. Ik verwijs naar de Pleitnota 11-11-’11, sub 16. (…)
De vorderingen van Brein op de subsidiaire grondslag
catch-allvordering, dat Ziggo onrechtmatig handelt (…). (…)
Stokke/Marktplaatsheeft het Hof Leeuwarden bevestigd dat een tussenpersoon in het geval dat aan de voorwaarden voor vrijwaring van aansprakelijkheid is voldaan (zoals in casu het geval is), niet gehouden is tot het nemen van verstrekkende maatregelen, in welk geval ook geen verbod of bevel kan worden opgelegd. Geoordeeld werd dat Marktplaats – een hosting provider die aan de voorwaarden van artikel 6:196c lid 4 BW voldoet – niet gehouden is tot het invoeren van een filter ter voorkoming van inbreuken. Het Hof oordeelde dat slechts onder “bijzondere omstandigheden” een verbod of bevel kan worden gegeven, namelijk het geval de tussenpersoon onzorgvuldig handelen kan worden verweten.
”
mogelijkonrechtmatig handelen jegens de rechthebbenden door het faciliteren/bevorderen van auteursrechtinbreuk. Het hof heeft daarmee dus juist geen oordeel gegeven op dit punt. Dat dit betekent dat op grond van hypothetisch feitelijke grondslag kan worden geoordeeld dat sprake is van onrechtmatig handelen, lijkt mij niet juist.
gehoudenzijn tot het stellen van vragen aan het Hof (267 VWEU) [81] . Middel V faalt dus.
in fine).”
mere conduitprovider zoals Ziggo aan haar abonnees de dienst van toegang tot een communicatienetwerk verleent.
positievebeantwoording van de bij principaal middel Ia hiervoor in 2.1.24 voorgestelde prejudiciële vragen – zo Uw Raad inderdaad tot het stellen van uitlegvragen zou overgaan of deze zelf bevestigend beantwoordt – faalt het middel ook overigens, omdat TPB dan niet alleen “art work”, maar ook de werken zelf openbaar maakt. Dan is de Telekabel Wien leer meteen door te trekken en faalt het onderdeel ook. Bij
negatievebeantwoording van die hoofdvraag en eerste subvraag heb ik hiervoor in 2.1.34 een tweede prejudiciële subvraag voorgesteld of dan toch art. 8 lid 3 Arl Pro een voldoende grondslag kan bieden voor het nu door Brein gevorderde blokkadebevel (dus bij TPB als louter “faciliteerder” van inbreuk). Zou die suggestie door Uw Raad gevolgd worden, dan hangt het lot van dit onderdeel (en de corresponderende klachten van XS4ALL) daar ook van af, als ik het goed zie. Bij negatieve beantwoording daarvan slaagt dit onderdeel dan naar de kern genomen voor wat betreft de onvoldoende grondslag, zoals we al zagen bij de principale behandeling van de grondslagvraag van art. 26d Aw.
aanbiedersinbreuk maken door mediabestanden aan te bieden die worden geïndexeerd op TPB. Het stakingsbevel dient er dan ook toe te leiden dat de abonnees van Ziggo c.s. niet meer “via TPB” kunnen aanbieden (een parallel met de L`Oréal/eBay-zaak lijkt hier op zijn plaats). De speld die Ziggo (en overigens ook XS4ALL, zoals we hierna zullen zien) hier tussen probeert te krijgen, past niet. Hierop strandt deel A.
legaleinformatie te verschaffen (punt 64). Aan de weging van de vrijheid van informatie is het hof in onze zaak niet toegekomen [97] . Het hof is blijven steken bij de beoordeling van de effectiviteit van de maatregel en heeft op die grond de vordering van Brein afgewezen. Dat is op zich een bekende juridische techniek. Die weging zal vermoedelijk na verwijzing alsnog aan de orde komen (waarbij ongetwijfeld de opvatting van Chavannes (vgl. voetnoot 56) zal worden uitgespeeld, dat dit in wezen een onmogelijkheid vormt, omdat blokkade zonder legale content tegen te houden praktisch niet voorstelbaar zou zijn. Ik werk dat hier niet anders uit, dan dat het mijns inziens niet zo moet kunnen zijn dat bij toevoeging van een minuscuul deel legale content geen blokkade meer mogelijk zou kunnen zijn. Het gaat om het vinden van een “juist evenwicht” door de rechter, die uit zijn gereedschapskist ook nog het instrument van misbruik van recht kan halen, als dat nodig is.
negatievebeantwoording van de in het principaal beroep in 2.1.34 voorgestelde tweede subvraag, dus het geval dat Luxemburg (of Uw Raad) beslist dat zonder dat gezegd kan worden dat TPB zelf meedeelt aan het publiek, art. 8 lid 3 Arl Pro onvoldoende basis biedt voor een bevel tegen een tussenpersoon om een “faciliterende” indexsite als TPB te blokkeren als nu gevorderd. Dan zou het onderdeel mogelijk op kunnen gaan (dit lijkt mij sterk af te hangen van bedoeld antwoord), in andere gevallen volgens mij niet.
website blocking,waardoor bij nieuwe blokkades risico’s toenemen en kosten en met zorgvuldige uitvoering ervan gemoeide tijd toenemen. Onbegrijpelijk is het oordeel dat Ziggo’s betwisting in MvA nr. 509 onvoldoende is geacht door het hof. Dat zijdens Ziggo niet meer is gereageerd op de stelling van Brein in MvA nr. 544 dat Ziggo c.s. “op grote schaal hun abonnees zouden blokkeren en afsluiten” kan hieraan niet afdoen. Die stelling, waarop gelet op de beperkte spreektijd bij appelpleidooi niet is gereageerd, doet niets af aan de door Ziggo bij MvG gemotiveerd en gedocumenteerd uiteengezette risico’s van de door Brein gevorderde blokkades. Dat zijn immers andere maatregelen dan afsluiting van individuele abonnees als daar gegronde redenen voor zijn. Deze stelling van Brein behoefde Ziggo niet te begrijpen als een gemotiveerde reactie op haar betoog dat de gevorderde blokkeringsmaatregelen daadwerkelijk bezwarend zijn.
Erfolgsverbotwordt opgelegd moet bij de keuze van de te nemen maatregelen tot nakoming van dat bevel ervoor zorgdragen dat de vrijheid van informatie in acht wordt genomen. Dwangsommen worden bij een
Erfolgsverbotpas verbeurd nadat in de executiefase om oplegging daarvan is gevraagd. Bij deze maatregel is dus slechts sprake van een weging van de grondrechten door de (Oostenrijkse) rechter voor zover daartegen wordt opgekomen. Een dergelijke maatregel kent het Nederlandse recht niet. De Nederlandse rechter beslist op de door een eiser gevorderde maatregelen jegens de tussenpersoon. In dat verband moet en kan de rechter dus direct rekening houden met de vrijheid van informatie van de internetgebruikers. Deze vormen zodoende een onderdeel van de door de rechter te maken belangenafweging/grondrechtenweging om te komen tot een “juist evenwicht”. Bovendien kan op grond van het Nederlandse procesrecht eenieder die belang heeft bij een tussen andere partijen aanhangig geding vorderen zich daarin te mogen voegen of tussenkomen (art. 217 Rv Pro). Aan de weging van de vrijheid van informatie is het hof in deze zaak echter niet toegekomen, nu het hof al op grond van het ontbreken van effectiviteit van de maatregelen de vordering heeft afgewezen. Het onderdeel strandt hierop.