Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Bespreking van het cassatiemiddel
eerste onderdeel, uiteenvallend in twee subonderdelen, is gericht tegen rov. 4.4 t/m 4.10 van het bestreden arrest, waarin het hof heeft geoordeeld dat sprake is van opvolgend vervoer in de zin van art. 34 CMR Pro. Volgens het onderdeel is het oordeel van het hof onjuist dan wel onbegrijpelijk, omdat (i) het vervoer niet was onderworpen aan één enkele overeenkomst zoals is vereist door art. 34 CMR Pro, en (ii) van opvolgend vervoer geen sprake kan zijn, omdat [eiseres] de enige feitelijke vervoerder is geweest en de vervoerders Trans-O-Flex en [verweerster] aangemerkt moeten worden als ‘papieren’ vervoerders.
in de hele keten’ is derhalve onjuist. De ruime uitleg van art. 34 CMR Pro leidt ertoe dat niet steeds sprake behoeft te zijn van opvolgend vervoer in de gehele keten.
tweede onderdeelis gericht tegen rov. 4.11 van het bestreden arrest en betoogt – kort gezegd – dat het hof heeft miskend dat art. 39 CMR Pro onverlet laat dat de vervoerder op wie verhaal wordt gezocht, zijn eigen aansprakelijkheid kan betwisten.
diensaansprakelijkheid jegens de ladingbelanghebbende. Art. 39 CMR Pro laat onverlet dat de vervoerder op wie verhaal wordt gezocht, zijn
eigenaansprakelijkheid kan betwisten en dat de rechter dit moet beoordelen, aldus het subonderdeel. Subonderdeel 3.2 bouwt hierop voort en betoogt voorts dat het hof enkele essentiële stellingen van [eiseres] heeft gepasseerd.