ECLI:NL:PHR:2015:604
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van feitelijke heerschappij bij diefstal met gebruik van valse toestemming tot wegvoering
In deze zaak stond de vraag centraal of verdachte zich schuldig had gemaakt aan diefstal door goederen weg te nemen met behulp van een valse kopie van een toestemming tot wegvoering. Het hof had vastgesteld dat verdachte door het gebruik van deze valse toestemming de goederen uit de macht van de rechthebbende had gehaald en zich aldus feitelijke heerschappij over de goederen had verschaft.
De Hoge Raad herhaalde de relevante overwegingen uit eerdere jurisprudentie, waarin is bepaald dat voor een veroordeling wegens diefstal op grond van artikel 310 Sr Pro vereist is dat de dader zich de feitelijke heerschappij over het goed heeft verschaft dan wel dit aan de feitelijke heerschappij van de rechthebbende heeft onttrokken. Dit oordeel betreft waarderingen van feitelijke aard die in cassatie slechts in beperkte mate kunnen worden getoetst.
Het hof had zijn oordeel met redenen omkleed en blijk gegeven van een juiste rechtsopvatting. De Hoge Raad oordeelde dat het gebruik van een valse toestemming tot wegvoering voldoende is om te concluderen dat sprake is van wegname in de zin van artikel 310 Sr Pro. Dat verdachte mogelijk ook vervolgd had kunnen worden voor oplichting deed hieraan niet af.
De conclusie van de Advocaat-Generaal was anders, maar de Hoge Raad volgde het standpunt dat de klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat het cassatieberoep klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft of niet tot cassatie kan leiden.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt het oordeel dat verdachte zich de feitelijke heerschappij over de goederen heeft verschaft en verklaart het cassatieberoep ongegrond.