ECLI:NL:PHR:2015:600

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
17 maart 2015
Publicatiedatum
19 mei 2015
Zaaknummer
13/05460
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 342 SvArt. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt bewezenverklaring zedendelict ondanks kritiek op steunbewijs

Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft verdachte veroordeeld tot tien maanden gevangenisstraf wegens ontuchtige handelingen met een kind van vijf jaar en verkrachting van zijn toenmalige echtgenote. De bewezenverklaring van het ontuchtige handelen steunt vooral op de verklaring van het kind, aangevuld met verklaringen van familieleden en een aantekening in het patiëntendossier van het kind.

De verdediging voerde in cassatie aan dat het bewijs onvoldoende steun vindt omdat het hof zich vrijwel uitsluitend baseerde op de verklaring van één getuige, het kind, en dat de overige verklaringen feitelijk van dezelfde bron afkomstig zijn. De Hoge Raad herhaalt de bewijsminimumregel uit art. 342, tweede lid, Sv en bevestigt dat het hof voldoende gemotiveerd heeft waarom de verklaringen samen voldoende steun bieden.

De Hoge Raad benadrukt dat het bewijs in zedenzaken met minderjarigen vaak afhankelijk is van verklaringen van één persoon en dat steunbewijs kan bestaan uit verklaringen van anderen met zelfstandige waarnemingen of medische aantekeningen. Het cassatiemiddel faalt en het beroep wordt verworpen, waarmee de straf en bewezenverklaring in stand blijven.

Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de bewezenverklaring en veroordeelt verdachte tot tien maanden gevangenisstraf.

Conclusie

Nr. 13/05460
Mr. Harteveld
Zitting 17 maart 2015
Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch heeft bij arrest van 31 oktober 2013 de verdachte wegens “met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen” (feit 4) en “verkrachting” (feit 5) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van tien maanden, met aftrek van voorarrest. Voorts heeft het hof beslist op de vorderingen van twee benadeelde partijen en op een in beslag genomen dagboek, een en ander zoals in het arrest vermeld. De onder 4 bewezen verklaarde ontucht is begaan jegens een tot verdachtes toenmalige gezin behorend kind van vijf jaar ([betrokkene 1]) en de onder 5 bewezen verklaarde verkrachting is begaan jegens zijn toenmalige echtgenote. Van de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde zedendelicten met betrekking tot verdachtes jongere zus is de verdachte in hoger beroep vrijgesproken.
2. Namens de verdachte is beroep in cassatie ingesteld en hebben mr. H.M.W. Daamen en mr. B.A.M. Hendrix, beiden advocaat te Maastricht, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld.
3.1. Het
middelbehelst de klacht dat het hof de bewezenverklaring van het onder 4 ten laste gelegde in het licht van art. 342, tweede lid, Sv ontoereikend heeft gemotiveerd, aangezien het hof deze in de kern bezien uitsluitend heeft doen steunen op de verklaring van de aangeefster, [betrokkene 1]. één getuige. De tot het bewijs gebezigde verklaringen van de grootmoeder en van de huisarts, alsmede de huisartsaantekening in het patiëntendossier van [betrokkene 1] zijn immers allemaal te herleiden tot één bron; de verklaringen van [betrokkene 1] zelf, aldus het middel.
3.2. Ten laste van de verdachte is onder 4 bewezen verklaard dat:
“hij in de periode van 1 januari 1998 tot en met 24 april 1998 in de gemeente Heerlen met een kind dat hij verzorgde of opvoedde als behorend tot zijn gezin, te weten [betrokkene 1] (geboren op [geboortedatum] 1992), die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, bestaande uit het
- laten vasthouden en/of laten betasten van zijn, verdachtes, penis door [betrokkene 1] en
- betasten van en/of knijpen in en/of wrijven over de met kleding bedekte vagina van [betrokkene 1]”.
3.3. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:
“1. Het proces-verbaal van aangifte, op ambtseed opgemaakt en ondertekend door [verbalisant 1], brigadier en [verbalisant 2], hoofdagent, beiden gecertificeerd zedenrechercheur, d.d. 7juli 2010, bijlage 2, dossierpagina's 23-29, inhoudende als verklaring van aangever [betrokkene 1], geboren op [geboortedatum] 1992:
Ik ben het oudste kind van [betrokkene 2]. Mijn biologische vader leeft niet meer. Op een gegeven moment kreeg mijn moeder een relatie met [verdachte] en is zij met hem getrouwd. Na het huwelijk tussen mijn moeder en [verdachte] heeft hij mij ook als zijn kind erkend en daardoor draag ik ook de achternaam [van verdachte]. Ik heb [verdachte] altijd papa genoemd.
Ik was net 6 jaar of net nog niet. Bij het naar bed brengen kwam [verdachte] naar mijn kamer. Ik moest toen zijn penis vasthouden en daarna zat hij aan mijn vagina. Hij haalde zijn penis uit zijn broek en zei: "hou vast". Ik moest hem gewoon vasthouden. Eerst was die penis klein. Als ik hem dan vasthield werd hij harder en dikker en ik zag adertjes. [verdachte] zijn ademhaling hoorde ik dan ook zwaarder worden, alsof hij hijgde. Hij zei niets, maar hij betastte mij toen wel aan mijn vagina en kneep daar hard in, over mijn onderbroekje en pyjamabroek heen. Het is één keer dat hij mij zo heeft betast.
Een paar dagen later was ik aan het logeren bij de moeder van mijn oma. Ik noemde haar oma [betrokkene 3]. Ik zei tegen haar dat ik pijn aan mijn pruim had en dat papa mij bij mijn pruim had gepakt. Ik begon toen te huilen. Ik heb later gehoord dat [betrokkene 3] dit verteld heeft aan mijn oma [betrokkene 4], die haar dochter en de moeder van mijn moeder is. [betrokkene 3] en [betrokkene 4] zijn toen samen naar de huisarts [de huisarts] in Landgraaf geweest.
Wij woonden toen op [A] in de [a-straat 1] (het hof begrijpt te Heerlen).
2. De verklaring van [betrokkene 1] afgelegd bij de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Maastricht, d.d. 9 november 2011, voor zover inhoudende:
[verdachte] is mijn kamer opgekomen. Hij deed zijn broek naar beneden en ik moest zijn penis vasthouden. Gelijktijdig heeft hij mij in mijn vagina geknepen over mijn broek heen. Dat deed pijn. Ik heb het verteld aan mijn overgrootmoeder [betrokkene 3] en die heeft het weer verteld aan [betrokkene 4]. [betrokkene 4] is er mee naar de huisdokter gegaan.
3. Het proces-verbaal van verhoor, op ambtseed opgemaakt en ondertekend door [verbalisant 1], brigadier en [verbalisant 2], hoofdagent, beiden gecertificeerd zedenrechercheur, d.d. 26 juli 2010, dossierpagina's 33-36, inhoudende als verklaring van [betrokkene 5]:
Mijn oudste dochter [betrokkene 2] heeft 8 kinderen. Haar oudste kind heet [betrokkene 1]. Zij heeft de achternaam [van verdachte]. [betrokkene 2] was getrouwd met [verdachte]. Ik weet dat [betrokkene 1] aangifte heeft gedaan. Ze zei alleen tegen mij dat er seksuele dingen waren gebeurd met [verdachte]. Verder heeft ze geen details verteld. Ik kon mij echter herinneren dat ik daar al iets over gehoord had toen [betrokkene 1] nog heel klein was. Zij was toen naar schatting 6 jaar oud. Mijn moeder leefde toen nog. [betrokkene 1] noemde haar [betrokkene 3]. Mij noemt ze [betrokkene 4]. Ik hoorde toen iets van mijn eigen moeder maar dat was haar door [betrokkene 1] zelf verteld, in kindertaal. Mijn moeder belde mij toen en ik moest komen want ze moest mij wat vertellen. [betrokkene 1] was daar toen aan het logeren. Ik ben daar heen gegaan. Mijn moeder vertelde mij toen dat [betrokkene 1] klaagde over pijn aan haar "pruimpje". Ze had ook gezegd dat papa haar daar iets gedaan had. Ik heb er ten slotte melding van gemaakt bij mijn huisarts, [de huisarts]. Hij was toen de huisarts van [betrokkene 2] en [betrokkene 1]. Die arts zei toen tegen mij dat hij er een aantekening van zou maken in het patiëntendossier van [betrokkene 1].
4. Het proces-verbaal van verhoor, op ambtseed opgemaakt en ondertekend door [verbalisant 1], brigadier en [verbalisant 2], hoofdagent, beiden gecertificeerd zedenrechercheur, d.d. 18 augustus 2010, dossierpagina's 48-49, inhoudende als verklaring van [de huisarts]:
Bij aanvang van het verhoor werd aan de getuige getoond de fotokopie van hetpatiëntendossier van [betrokkene 1].
Dat is een kopie van het patiëntendossier van [betrokkene 1]. Ik heb dat recentelijk zelf verstrekt. Ik herken de kopie. Ik heb hier de originele groene patiëntenkaart ernaast liggen en u kunt zien dat die hetzelfde zijn. Ik heb destijds zelf daarop die aantekening op 24-4-1998 gemaakt over die melding van: "mogelijk seksueel problematiek met "vader"? Komt nog op terug". Mij werd toen verteld dat er seksueel misbruik plaats gevonden zou hebben door haar vader, niet zijnde haar biologische vader. Dit werd mogelijk toen gemeld door [betrokkene 1] haar oma.
5. Een geschrift, zijnde een fotokopie van het patiëntendossier met handgeschreven aantekeningen betreffende [betrokkene 1], geboren op [geboortedatum] 1992, bijlage 7, pagina 42 van het dossier, voor zover inhoudende:
24-4-'98
"Mogelijk seksueel problematiek met "vader"? Komt nog op terug".”
3.4. Het hof heeft voorts het volgende overwogen:
“De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.
(…)
De verdediging heeft met betrekking tot het onder 4 ten laste gelegde vrijspraak bepleit en aangevoerd dat de informatie van [betrokkene 3] en [betrokkene 4] afkomstig is van één en dezelfde bron, te weten [betrokkene 1]. Bovendien zijn de verklaringen van [betrokkene 1] afwijkend van elkaar en kan haar verklaring van destijds tegenover haar overgrootmoeder zijn ingekleurd door de beide oma's. Het gestelde misbruik, waarvan melding bij de huisarts is gedaan, kan een conclusie zijn geweest van [betrokkene 3] en/of [betrokkene 4]. Er is ook nooit meer teruggekomen op de melding en ook is het niet nader onderzocht, aldus de raadsman van de verdachte.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
De verklaringen van [betrokkene 1] zijn naar het oordeel van het hof zeer gedetailleerd en stemmen naar het oordeel van het hof in de kern overeen. Het hof acht haar verklaringen daarom betrouwbaar. Zij vinden naar het oordeel van het hof voldoende steun in de overige door het hof gebruikte bewijsmiddelen, waaruit blijkt dat [betrokkene 1] - toen pas vijf jaar oud - van het gebeurde (zij het op kinderlijke wijze) onmiddellijk melding heeft gemaakt bij haar overgrootmoeder, die vervolgens haar dochter ([betrokkene 4]) erbij heeft betrokken, die op haar beurt de huisarts heeft ingelicht. Dat het seksueel misbruik enkel een conclusie is geweest van [betrokkene 3] en/of [betrokkene 4] en dat de verklaring van [betrokkene 1] door hen is ingekleurd acht het hof niet aannemelijk.
Het verweer wordt verworpen.”
3.5. Bij het middel past de volgende, ook de stellers van het middel bekende, vooropstelling. Volgens het tweede lid van art. 342 Sv Pro - dat de tenlastelegging in haar geheel betreft en niet een onderdeel daarvan - kan het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van één getuige. Deze bepaling strekt ter waarborging van de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing, in die zin dat zij de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen ingeval de door één getuige gereleveerde feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal. Opmerking verdient nog dat het bij de in cassatie aan te leggen toets of aan het bewijsminimum van art. 342, tweede lid, Sv is voldaan, van belang kan zijn of de feitenrechter zijn oordeel dat dat het geval is, nader heeft gemotiveerd (vgl. HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM2452, NJ 2010/515).
3.6. Ook de onderhavige zaak toont dat de vraag of sprake is van voldoende steunbewijs afhangt van de concrete, vastgestelde feiten en omstandigheden in een bepaalde zaak en waarom de Hoge Raad bij de beoordeling van een dergelijke bewijsmotivering (ook) kijkt of, en zo ja hoe, het hof zijn bewijsoordeel nader heeft gemotiveerd. Steunbewijs dat in zekere mate ‘objectiveerbaar’ is, zoals forensische onderzoeksresultaten of een geneeskundige verklaring, kan bijdragen aan een deugdelijke bewijsvoering. Maar ook de verklaring van een ander met daarin (tevens) een zelfstandige, eigen waarneming die weliswaar steun biedt aan de belastende verklaring, maar daarvan niet (direct) afkomstig is, kan voldoende steun opleveren. [1] De rechtspraak over “unus testis” is casuïstisch, dus ontwikkelt zich aan de hand van de uiteenlopende zaken. Daarbij moet voor ogen worden gehouden dat het - in het kader van die concrete zaak, het daarin geformuleerde cassatiemiddel en de evt. nadere overweging van het hof - steeds gaat om het passeren van de in art. 342 lid 2 Sv Pro vervatte grens van het bewijsminimum om de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing te waarborgen en niet om de betrouwbaarheid van het bewijs, al kunnen die twee enigszins met elkaar verweven zijn.
3.7. Bij zedenzaken, zeker met minderjarigen, komt het veelal aan op de vraag in hoeverre de door één persoon verklaarde gang van zaken steun vindt in andere bewijsmiddelen. Een ondergrens in de mate van steunbewijs kan mijns inziens gezien worden in HR 10 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1354, NJ 2014/329. In die zaak is de Hoge Raad tot het oordeel gekomen dat niet kan worden gezegd dat de tot het bewijs gebezigde verklaringen van de aangeefster “onvoldoende steun vinden in het overige gebezigde bewijsmateriaal, in het bijzonder gelet op de verklaring van de verdachte over het oppassen”. Steunbewijs voor het seksueel misbruik was er niet, ook niet in bijvoorbeeld de waarneming van emoties kort nadien, maar het bewijsmateriaal bevatte wel steun voor de concrete omstandigheden waaronder het misbruik naar het oordeel van het hof had plaatsgevonden: tijdens het oppassen, bij haar ouders thuis op de slaapkamer en aldaar lagen pornoboekjes. [2] Het “overige gebezigde bewijsmateriaal” dat de Hoge Raad noemt, bestond uit de dagboekaantekeningen van de aangeefster en de verklaringen van twee vriendinnen aan wie ze had verteld wat er was gebeurd; in zekere zin allemaal te herleiden tot één bron. De onderhavige zaak laat zich met deze zaak vergelijken. In de onderhavige zaak gaat het om een gedetailleerde, latere verklaring van de aangeefster en valt in de bewijsvoering met name op de wijze waarop [betrokkene 1] daarover op vijfjarige leeftijd tegen haar overgrootmoeder sprak en hoe het daarna verliep: haar overgrootmoeder heeft het aan haar grootmoeder verteld en toen werd de huisarts geïnformeerd; door de huisarts is een aantekening in het patiëntendossier gemaakt die qua datum (24-4-1998) strookt met aangeefsters toenmalige leeftijd en waarvan de inhoud in lijn ligt met het verhaal van de aangeefster. Waarom het toen bij een aantekening is gebleven blijkt niet, maar dat het seksueel misbruik enkel een conclusie is geweest van de over- en/of grootmoeder en dat de verklaring van [betrokkene 1] door hen is ingekleurd acht het hof niet aannemelijk en dat oordeel komt me, mede gelet op de gebezigde bewoordingen en omschrijving door [betrokkene 1] toen ze nog geen zes jaar oud was, niet onbegrijpelijk voor.
3.9. Overvloedig is het bewijs niet, maar het hof heeft gemotiveerd dat en waarom het van oordeel is dat voldoende steunbewijs voor de belastende verklaring van de aangeefster te vinden is in de overige door het hof gebruikte bewijsmiddelen, waaruit blijkt dat [betrokkene 1] - toen pas vijf jaar oud - van het gebeurde (zij het op kinderlijke wijze) melding heeft gemaakt bij haar overgrootmoeder, die vervolgens haar dochter ([betrokkene 4]) erbij heeft betrokken, die op haar beurt de huisarts heeft ingelicht en waarvan een aantekening in het patiëntendossier is gemaakt. Mede gelet op de nadere motivering van het hof, kan niet worden gezegd dat de tot het bewijs gebezigde verklaring van de aangeefster onvoldoende steun vindt in het overige bewijsmateriaal. Anders dan in het middel wordt betoogd, is dus geen sprake van schending van art. 342, tweede lid, Sv.
4. Het middel faalt en kan naar mijn oordeel met de aan artikel 81, eerste lid, RO ontleende motivering worden verworpen.
5. Ambtshalve gronden die tot vernietiging aanleiding behoren te geven heb ik niet aangetroffen.
6. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.HR 5 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN1728, NJ 2010/612 m.nt. Borgers; HR 22 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:957, NJ 2014/328 m.nt. Rozemond; HR 9 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3549.
2.Zie ook de annotatie van Rozemond bij dit arrest, in NJ 2014/329 over de bevestiging van de ‘concrete context’ van het misdrijf, alsmede M.J. Borgers, ‘De toepassing van de bewijsminimumregel,’ DD 2012, 82.