Conclusie
1.Feiten en procesverloop
toev. A-G [2] ). De GCB heeft overwogen dat [eiser]:
2.Beoordeling van het cassatieberoep
Cassatiemiddel IIklaagt dat het hof met zijn oordeel in rov. 2.4 art. 159 lid 2 Rv Pro heeft geschonden, omdat de GCB – en, aldus het middel, “bijgevolg ook” het hof – uitgaat van het bewijs van de overeenkomst zoals die zou blijken uit het document dat de bank heeft overgelegd, maar waarvan [eiser] nu juist de authenticiteit betwist.
Cassatiemiddel IIIbevat de klacht dat het hof met zijn oordeel tevens art. 160 lid 1 Rv Pro heeft geschonden, door zich aan te sluiten bij de beslissing van de GCB, die het bewijs van het bestaan van de overeenkomst ontleent aan een door Rabobank overgelegd niet-origineel document waarvan de authenticiteit door [eiser] is betwist.
Cassatiemiddel IVbetoogt, naar de kern, dat de bewering van [eiser] dat een handtekening vals is een zodanige ernstige zaak is, dat op dit betoog eerst een expliciete en aan bijzondere motiveringseisen beantwoordende beslissing moet worden genomen. Geklaagd wordt dat het hof dit heeft nagelaten door “slechts zonder enige motivering van betekenis terug [te] grijpen op de uitspraak van de [GCB]”. Het hof heeft daardoor art. 7:904 BW Pro geschonden, aldus het middel.
voorbij gegaan isaan zijn stelling dat het aanvraagformulier niet zijn handtekening bevat en aan zijn verzoek aan Rabobank om het originele aanvraagformulier in het geding te brengen (rov. 2.3). Het hof heeft dit kennelijk en niet onbegrijpelijk geïnterpreteerd als een betoog met de strekking dat de beslissing van de GCB omtrent de totstandkoming van de overeenkomst met Interpolis in het licht van genoemde stelling van [eiser]
onvoldoende gemotiveerdis (rov. 2.4, voorlaatste zin). In rov. 2.4 heeft het hof in een alleszins begrijpelijke interpretatie van de beslissing van de GCB overwogen dat de GCB aan de stelling van [eiser] niet voorbij is gegaan, maar deze heeft verworpen, en dat haar beslissing dat een overeenkomst met Interpolis tot stand is gekomen voldoende gemotiveerd is mede aan de hand van de overige in de beslissing genoemde feiten en omstandigheden.
eerstetegen de overweging van het hof dat de GCB wel kennis heeft genomen van de stelling van [eiser] dat het aanvraagformulier niet zijn handtekening bevat, maar deze niet aannemelijk heeft geacht. Volgens het middel is dit slechts een herhaling van de overwegingen van de GCB en de kantonrechter, die geen voldoende motivering vormt voor het bestreden oordeel van het hof.
tweedeplaats tegen de overweging van het hof (in rov. 2.4) dat [eiser]
de wil had deze beleggingsovereenkomst af te sluiten, en betoogt dat [eiser] “nu juist [wijst] op het feit dat hij weliswaar wel een beleggingsovereenkomst wilde afsluiten, doch niet tevens enige verzekeringsovereenkomst bij Interpolis”.
3.Conclusie
- niet-ontvankelijkverklaring van [eiser] in zijn cassatieberoep, voor zover gericht tegen het vonnis van de rechtbank Alkmaar, sector kanton, van 28 november 2012;
- verwerping van het beroep voor het overige.