Conclusie
Het middel
Parket bij de Hoge Raad
Verdachte werd door het Gerechtshof Den Haag veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf wegens mishandeling nadat hij iemand had gebeten tijdens een conflict in een woning. Verdachte betrad de woning opnieuw nadat hij was verwijderd, wat het hof kwalificeerde als het zoeken van confrontatie. Hoewel verdachte stelde dat hij de woning betrad om zijn spullen op te halen en toestemming had van de hoofdbewoner, oordeelde het hof dat deze toestemming niet opwoog tegen het recht van de bewoner om hem te verwijderen.
De verdediging voerde noodweer en noodweerexces aan omdat verdachte hardhandig werd verwijderd en tegen de grond gedrukt, maar het hof vond dat de verwijdering niet disproportioneel was en dat er geen sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding die een noodweersituatie rechtvaardigde.
De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en wijst het cassatieberoep af. De Raad benadrukt dat het hof de juistheid van de verklaring van verdachte omtrent het betreden van de woning in het midden heeft gelaten, maar dat dit niet leidt tot onbegrijpelijkheid van het oordeel dat het recht van de bewoner prevaleert. Het beroep op noodweerexces faalt omdat geen noodweersituatie is vastgesteld.
Uitkomst: Hoge Raad wijst cassatieberoep af en bevestigt veroordeling wegens mishandeling zonder toepassing van noodweerexces.