Conclusie
De middelen van de verdachte
Een proces-verbaal met nummer 2011063411 van 16 maart 2011, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 3] en [verbalisant 4] (doorgenummerde pagina’s 10021 tot en met 10022).
Een geschrift, inhoudende een schrijven van J.C. de Keijzer, forensisch arts GGD Amsterdam d.d. 15 mei 2013.Dit geschrift houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:
Een rapport ‘Pathologie onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet natuurlijke dood’ van het Nederlands Forensisch Instituut met nummer 2011.03.11.061 d.d. 20 mei 2011, opgesteld door A. Maes, arts en patholoog (doorgenummerde pagina’s 11057 tot en met 11063).
Een proces-verbaal met nummer 2011036441 van 17 maart 2011, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar T276 (doorgenummerde pagina’s 10099 tot en met 10100).
Een proces-verbaal met nummer 2011063441 van 22 maart 2011, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar T276 (doorgenummerde pagina’s 10111 tot en met 10112).
De verklaring van de getuige [betrokkene 4] , afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 30 juni 2014.
Een proces-verbaal met nummer 201160344 van 26 mei 2011, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar T152 (doorgenummerde pagina’s 10868 tot en met 10870).
Een proces-verbaal met nummer 2011063441 van 24 maart 2011, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren T152 en T039 (doorgenummerde pagina’s 20047 tot en met 20050).
Een proces-verbaal met nummer 2011063441 van 24 maart 2011, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar T152 (doorgenummerde pagina’s 10106 tot en met 10109).
Een proces-verbaal kennisgeving van inbeslagneming met nummer 2011063441-51 van 28 maart 2011, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 5] .
Een proces-verbaal kennisgeving van inbeslagneming met nummer 2011063441-59 van 1 april 2011, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 6] en [verbalisant 7] (doorgenummerde pagina’s 11182 tot en met 11183).
Een proces-verbaal kennisgeving van inbeslagneming met nummer PL135J 2011063441-60 van 31 maart 2011, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 6] (doorgenummerde pagina 11184).
Een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut met nummer 2011.03.11.061 d.d. 26 april 2011, opgesteld door drs. H.N. Bauer (doorgenummerde pagina’s 10816 tot en met 10822).
Een proces-verbaal met nummer 2011063441-104 van 27 mei 2011, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 8] , [verbalisant 9] en [verbalisant 10] (doorgenummerde pagina’s 10941 tot en met 10950).
Een proces-verbaal met nummer 2011026339-11 van 17 augustus 2011, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 11] en [verbalisant 12] (doorgenummerde pagina’s 11251 tot en met 11253).
eerste middelbehelst als eerste klacht dat het Hof in zijn nadere bewijsoverweging heeft vastgesteld dat [slachtoffer] vóór 15:57 uur van het leven is beroofd, maar dat deze vaststelling niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid.
tweede middelkeert zich tegen het gebruik voor het bewijs door het Hof van een kennelijk leugenachtige verklaring van de verdachte. Het middel bevat ten eerste de klacht dat de leugenachtigheid niet blijkt uit een ander bewijsmiddel dan de verklaring van verdachte.
derde middelbevat de klacht dat het Hof ontoereikend gemotiveerd is afgeweken van het door de verdediging ingenomen uitdrukkelijk onderbouwd standpunt dat verdachte ten tijde van het levensdelict niet aanwezig was in haar woning.
De middelen van de benadeelde partijen
eerste middelkeert zich tegen het oordeel van het Hof met betrekking tot de door de benadeelde partijen gevorderde immateriële schade.
tweede middelklaagt dat het Hof ontoereikend gemotiveerd heeft geoordeeld dat een gedeelte van de vordering van de benadeelde partijen niet voor vergoeding in aanmerking komt, omdat de behandeling van de vordering in zoverre een onevenredige belasting van het strafproces zou opleveren.