Conclusie
5.Bewezenverklaring en bewijsvoering
de verdachte:
de verdachte:
de verdachte:
proces-verbaal van politieZeeland, Forensische Opsporing, proces-verbaalnummer 2010085020, onderzoek TGO Hulsberg, van 23 juni 2011, met de naam 'Proces-verbaal onderzoek sporen', voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als relaas van [verbalisant 3], inspecteur van politie (op ambtsbelofte), [verbalisant 4], brigadier van politie (op ambtseed), [verbalisant 5], brigadier van politie (op ambtseed) en [verbalisant 6] hoofdagent van politie (op ambtseed):
Nederlands Forensisch Instituut, zaaknummer 2010.10.12.041, van 7 februari 2011, opgemaakt door V. Soerdjbalie-Maikoe, arts en patholoog, getiteld 'Pathologie onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet natuurlijke dood', betreffende een NN (later bekend geworden als [slachtoffer]), voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
verdachte:
6.Het eerste middel
7.Het tweede, derde, vierde, vijfde en zesde middel
zesde middelvoert aan dat in gevallen als de onderhavige, waarin de Rechtbank heeft vrijgesproken en de advocaat-generaal vrijspraak heeft gevorderd en waarin de gronden waarop die vrijspraak werd gevorderd overeenstemmen met de gronden die door de verdediging aan een alternatief scenario ten grondslag zijn gelegd, zodat in feite sprake is van een “gemeenschappelijk standpunt”, op de appelrechter een zware motiveringsplicht rust als hij daarvan afwijkt. Ik ben geneigd de strekking van dit betoog te onderschrijven. Weliswaar is de appelrechter niet gebonden aan het oordeel van de rechtbank, en kan de verdachte niet klagen als zonder redengeving voorbij is gegaan aan een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt van het openbaar ministerie, dat neemt niet weg dat het hier om factoren gaat die maken dat van het hof in hoger beroep een nadere verantwoording van zijn bewijsbeslissing mag worden verlangd. Een vergelijking kan hier worden gemaakt met het “verbazingscriterium” dat bij de strafoplegging wordt aangelegd. De afwijking van de strafoplegging in eerste aanleg en de afwijking van de eis van het openbaar ministerie zijn hier factoren die in aanmerking worden genomen bij de vraag of de strafoplegging toereikend is gemotiveerd. De gedachte daarachter is denk ik vooral, dat een ‘eigenwijze’ beslissing van de rechter als vanzelf de vraag oproept of hij het wel goed heeft gezien.
derde middelklaagt dat het Hof het nemo tenetur-beginsel heeft geschonden door als bewijsmiddel 8 te bezigen de door de verdachte in hoger beroep afgelegde verklaring dat zij blijft zwijgen over de reden waarom zij op haar bekentenis is teruggekomen. De steller van het middel onderkent daarbij dat dit een gegeven is dat bij de waardering van het bewijs betrokken mag worden, maar meent dat nu de bedoelde verklaring uitdrukkelijk als bewijsmiddel is gepresenteerd, die verklaring redengevend is geacht voor de bewezenverklaring.
vierde middelen het
vijfde middelzijn elkaars alternatieven. Zij vinden hun aangrijpingspunt in hetgeen het Hof heeft overwogen met betrekking tot de strafbaarheid van de verdachte. De bedoelde overweging houdt het volgende in:
Strafbaarheid van de verdachte
tweede middelklaagt in de kern over ’s Hofs verwerping van een betrouwbaarheidsverweer. Van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat de bekentenissen van de verdachte onbetrouwbaar zijn, zou het Hof zonder toereikende motivering zijn afgeweken. Daarnaast wordt in de toelichting op het middel gewezen op een discrepantie tussen enerzijds de motivering waarmee een vordering van de advocaat-generaal tot het verrichten van nader deskundigenonderzoek is afgewezen en anderzijds de motivering van ’s Hofs oordeel dat de afgelegde bekentenissen betrouwbaar zijn. Ik begin met dat laatste.