Conclusie
eerste middelklaagt onder (i) over het oordeel van het Hof dat de pillen een “geneesmiddel waarvoor geen handelsvergunning geldt” als bedoeld in art. 1 lid 1 sub b van Pro de Geneesmiddelenwet zijn en onder (ii) over het oordeel dat voor deze bewezenverklaarde geneesmiddelen telkens “geen handelsvergunning geldt”.
derde middelklaagt over het oordeel van het Hof dat de onder 11 bewezenverklaarde stof pseudo-efedrine een “geregistreerde stof van categorie 1 van bijlage 1 van de Verordening nr 273/2004” betreft en voorts over het oordeel van het Hof dat de verdachte de geregistreerde stoffen in bezit had “zonder een door de bevoegde instanties afgegeven vergunning”.
als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:
als relaas van deze deskundige:
tweede middelbetreft de bewijsmotivering van de feiten 1, 2 en 6 en wel in het bijzonder het gebruik van een proces-verbaal van observatie. Het
vierde middelbetreft de strafmotivering en het vijfde de overschrijding van de redelijke termijn. Deze middelen lijken mij op het eerste gezicht niet alle op voorhand kansloos, maar ik zie er om redenen van doelmatigheid vanaf om ze hier te bespreken. Voor zover de Hoge Raad meent dat een of meer middelen dan wel de niet besproken klachtonderdelen van de middelen 1 en 3 alsnog bespreking verdienen ben ik daartoe graag bereid.