Deze zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Hof Den Haag waarin verdachte werd veroordeeld voor medeplegen van overtreding van de Geneesmiddelenwet met betrekking tot de stof metachlorophenylpiperazine (mCPP). Het Hof had mCPP als geneesmiddel gekwalificeerd op grond van art. 1.1 onder b van de Geneesmiddelenwet, wat leidde tot een veroordeling.
De Hoge Raad stelt dat middelen zonder therapeutische werking niet als geneesmiddel kunnen worden aangemerkt. Hierbij wordt uitgebreid verwezen naar het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie in de zaken Markus D. en G. (C-358/13 en C-181/14), waarin is bepaald dat substanties die slechts fysiologische functies wijzigen zonder gunstige invloed op de gezondheid, en die uitsluitend worden geconsumeerd om een roes op te wekken, niet onder het begrip geneesmiddel vallen.
Het Hof Den Haag heeft onvoldoende gemotiveerd dat mCPP een gunstige invloed op de menselijke gezondheid heeft, waardoor de bewezenverklaring van de feiten met betrekking tot mCPP niet in stand kan blijven. De Hoge Raad vernietigt daarom het arrest en wijst de zaak terug aan het Hof voor hernieuwde beoordeling. Tevens is sprake van overschrijding van de redelijke termijn, maar dit leidt niet tot een eigen beslissing van de Hoge Raad.
De uitspraak heeft belangrijke gevolgen voor de strafrechtelijke aanpak van synthetische drugs zonder therapeutische werking, aangezien deze niet onder de Geneesmiddelenwet vallen. Dit sluit aan bij eerdere vrijspraken in Nederland en Duitsland en bevestigt dat strafrechtelijke vervolging onder de Geneesmiddelenwet alleen mogelijk is indien sprake is van een geneesmiddel met therapeutische werking.