Conclusie
4.Bewezenverklaring en bewijsvoering
5.Het eerste middel
Nader onderzoek met betrekking tot aangetroffen DNA in nagelvuil
Parket bij de Hoge Raad
De zaak betreft de doodslag op een achtjarig meisje in 1991, waarbij verdachte is veroordeeld tot vijftien jaar gevangenisstraf. Het Hof Arnhem-Leeuwarden sprak verdachte vrij van enkele tenlastegelegde feiten, maar veroordeelde hem voor doodslag en diverse seksuele misdrijven. Centrale bewijsmiddelen waren onder meer het DNA-spoor op het nachthemd waarmee het slachtoffer werd gewurgd, dat in 2009 werd geanalyseerd en overeenkwam met het DNA van verdachte.
In cassatie werden twee middelen aangevoerd, gericht op vermeend vormverzuim vanwege het ontbreken van het nachthemd en ander bewijsmateriaal, en op de betrouwbaarheid van het DNA-onderzoek. De Hoge Raad oordeelde dat het ontbreken van het nachthemd geen vormverzuim oplevert omdat het beslag destijds rechtmatig is beëindigd en het belang van strafvordering destijds niet meer aanwezig was. Daarnaast was nader DNA-onderzoek reeds uitgevoerd en was de verdediging daarbij betrokken geweest.
Ook het verzoek om nader onderzoek naar DNA-sporen van een onbekende man werd afgewezen, omdat dit geen nieuwe aanwijzingen zou opleveren die het bewezenverklaarde scenario konden ondermijnen. De Hoge Raad bevestigde dat het samenstel van bewijsmiddelen, waaronder de eigen verklaringen van verdachte en het DNA-bewijs, voldoende is om de bewezenverklaring te dragen. Het cassatieberoep werd verworpen.
Uitkomst: Cassatieberoep verworpen; bewezenverklaring doodslag en strafoplegging bevestigd ondanks ontbrekend bewijs.