Conclusie
2.Bespreking van het cassatiemiddel
Onderdeel 1valt uiteen in zeven subonderdelen.
Onderdeel 2, dat wordt ingesteld onder de voorwaarde dat het eerste onderdeel faalt, bevat acht subonderdelen.
Parket bij de Hoge Raad
De zaak betreft de uitleg van een testament waarin een dochter een legitieme portie erfde onder een fideïcommis de residuo, waarbij de moeder alle activa en passiva kreeg toegedeeld en de dochter een rentedragende vordering op de moeder had. De rente was niet opeisbaar tenzij de moeder dit besloot. Na het overlijden van de dochter, die onder curatele stond en in een zorginstelling verbleef, maakte de moeder de rente opeisbaar. De Stichting Vrienden van Sherpa, verbonden aan de zorginstelling, vorderde de rente over de periode vóór het overlijden van de dochter.
De rechtbank wees de vordering af, maar het hof verklaarde dat de stichting als verwachter recht had op de rente over de periode van 16 februari 2004 tot 18 september 2008 en veroordeelde de moeder tot betaling van rente en incassokosten. De moeder stelde cassatieberoep in, dat werd voortgezet door haar erfgenaam na haar overlijden.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof de uitleg van het testament correct had toegepast, waarbij de rente toekomt aan de stichting als verwachter. Het hof had de motiveringsklachten van de moeder onvoldoende onderbouwd geacht en het cassatieberoep verworpen. Hiermee werd bevestigd dat de rente die pas na het overlijden van de dochter opeisbaar werd, niet aan de dochter maar aan de stichting toekomt, conform de bedoeling van de erflater en de wettelijke regels omtrent vruchtgebruik en fideïcommis.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de moeder wordt verworpen en de stichting heeft recht op de rente over de periode van 2004 tot 2008.