ECLI:NL:HR:2011:BO9581
Hoge Raad
- Cassatie
- D.H. Beukenhorst
- E.J. Numann
- J.C. van Oven
- W.D.H. Asser
- C.E. Drion
- Rechtspraak.nl
Uitleg testament en maatstaf van art. 4:46 BW bij erfstelling na echtscheiding
In deze zaak staat de uitleg van een testament centraal waarin de erflater zijn erfgenamen benoemt. De erflater had twee huwelijken; uit het eerste huwelijk is een kind geboren, en uit het tweede huwelijk vijf kinderen. Het testament, opgesteld tijdens het tweede huwelijk, bevatte een ontbindende voorwaarde die bij echtscheiding de erfstelling ten gunste van de echtgenote en de kinderen uit dat huwelijk deed vervallen.
De kern van het geschil is of de term "mijn kinderen" in het testament alle kinderen van de erflater omvat, dus ook het kind uit het eerste huwelijk, of alleen de kinderen uit het tweede huwelijk. De rechtbank oordeelde in het voordeel van de kinderen uit het tweede huwelijk, terwijl het hof de uitleg van het kind uit het eerste huwelijk volgde.
De Hoge Raad stelt dat het hof de juiste maatstaf van art. 4:46 BW Pro niet juist heeft toegepast. Het hof heeft onvoldoende rekening gehouden met de verhoudingen die de uiterste wil kennelijk wenst te regelen en met de omstandigheden waaronder het testament is gemaakt, waaronder de ouderlijke boedelverdeling die alleen betrekking had op de kinderen uit het tweede huwelijk.
De Hoge Raad concludeert dat met "mijn kinderen" in het testament alleen de kinderen uit het tweede huwelijk zijn bedoeld. Het arrest van het hof wordt vernietigd, het vonnis van de rechtbank bekrachtigd en de proceskosten worden gecompenseerd.
Uitkomst: De Hoge Raad bekrachtigt het vonnis van de rechtbank dat alleen de kinderen uit het tweede huwelijk erfgenaam zijn volgens het testament.