Conclusie
eerste middelbehelst de klacht dat de Rechtbank ten aanzien van het conservatoir beslag niet de juiste maatstaf heeft gehanteerd.
tweede middelbehelst kennelijk de klacht dat het oordeel van de Rechtbank dat beslaglegging op een bedrag van € 90.000,- in verhouding en gerechtvaardigd is, blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, althans ontoereikend is gemotiveerd.
nieten zal de officier van justitie zich slechts kunnen baseren op de gegevens die uit het tot dan toe gevoerde onderzoek zijn voortgekomen. (Kamerstukken II 1989-1990, 21 504, nr. 3, blz. 24-25) Hieruit volgt dat de wetgever voor het conservatoir strafvorderlijk beslag de regeling van het conservatoir beslag in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering tot uitgangspunt heeft genomen, zij het met de in art. 94c onder a-f Sv genoemde uitzonderingen. Het in die bepaling onder b vervatte voorschrift geeft aan dat de vermelding van het maximumbedrag in het proces-verbaal van inbeslagneming of het beslagexploit niet is vereist. In dat verband heeft de wetgever nog met zoveel woorden tot uitdrukking gebracht dat het belang van het vermelden van het maximumbedrag is gelegen in het kunnen aanbieden van een zekerheidstelling als bedoeld in art. 118a Sv – voorheen art. 118b – alsmede in de kenbaarheid voor derden die in de beslagen voorwerpen mogelijk ook verhaalsobjecten voor hun vorderingen zien. Een vermelding van een maximumbedrag in de op de voet van art. 103 Sv Pro verstrekte machtiging van de rechter-commissaris – zoals hier is geschied – komt geen zelfstandige betekenis toe, nu een dergelijke vermelding, hoewel blijkens de wetsgeschiedenis door de wetgever wenselijk geacht, niet is voorgeschreven.
derde middelbehelst ten eerste de klacht dat het onbegrijpelijk is dat de Rechtbank op basis van het Rapport ervan uitgaat dat de aangetroffen geldbedragen van € 89.290,- en 660 Britse ponden voor het overgrote deel aan [betrokkene 1] toebehoort.
vierde middelklaagt dat het oordeel van de Rechtbank met betrekking tot de inbeslaggenomen sieraden onbegrijpelijk is.
vijfde middelbehelst de klacht dat het oordeel van de Rechtbank met betrekking tot de voorwerpen waarop klassiek beslag rust, onbegrijpelijk is.