Conclusie
van het plegen van witwassen een gewoonte maken” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Tevens heeft het hof de in beslaggenomen nog niet teruggegeven voorwerpen verbeurd verklaard, te weten een geldbedrag van € 14.481,80 en een geldbedrag van € 217.929,59.
eerste middelbehelst de klacht dat het OM de rechter onvolledig heeft ingelicht tijdens een eerdere vervolging van de verdachte ter zake van Opiumwetdelicten. Het OM heeft de rechter toen medegedeeld dat geen ontnemingsvordering zou worden ingediend maar toen nagelaten mede te delen dat een tweede strafzaak liep ter zake van het witwassen van gelden die verkregen zouden zijn door het plegen van Opiumwetdelicten. Dat is de strafzaak die nu in cassatie aan de orde is.
dat sprake moest zijn van een wettelijke verplichting tot informeren” terwijl het hof volgens hem “
had dienen te onderzoeken of (de vervolgingsbeslissing) van het openbaar ministerie overeenkomstig de beginselen van een goede procesorde is geweest”. Aldus is het verweer in feitelijke aanleg echter niet gevoerd. Het hof hoefde dit verweer dan ook niet zo te onderzoeken en te beoordelen.
gevraagd en ongevraagd” dient te voorzien van informatie “
die redelijkerwijs van belang is bij een te nemen beslissing”, zodat het OM door zulks na te laten heeft gehandeld in strijd met de beginselen van een goede procesorde, aldus de steller van het middel. Hij verzuimt echter aan te geven op welke gronden deze verplichting berust en op welke gronden deze (veronderstelde) verplichting zou moeten worden gerekend tot de beginselen van een goede procesorde.
naast elkaar kunnen bestaan” op zich juist is “
maar niet volledig, nu zij derhalve ook van invloed op elkaar kunnen zijn.” Dat laatste wil ik de steller van het middel toegeven, maar daaruit volgt nog niet dat het afzien van de ene procedure (in casu: de ontnemingsprocedure) betekent dat tevens van de andere procedure (in casu: strafvervolging wegens witwassen) zou moeten worden afgezien.
tweede middel,te weten dat het OM niet-ontvankelijk had moeten worden verklaard omdat hij de Zwitserse autoriteiten in het kader van het rechtshulpverzoek van 23 mei 2006 onjuist heeft voorgelicht door daarin te stellen dat de R-C een machtiging tot het leggen van conservatoir beslag heeft afgegeven terwijl die machtiging in werkelijkheid eerst op 22 juni 2006 was afgegeven.
dat de enkele mogelijkheid dat de Zwitserse autoriteiten zijn misleid niet kan leiden tot de slotsom dat de Officier van Justitie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging”. [1] In het oordeel van het hof ligt besloten dat de onjuiste vermelding van de datum niet tot gevolg heeft gehad dat de Zwitserse autoriteiten zijn misleid. Dat oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is alleszins begrijpelijk, gelet op de overweging van het hof dat ten tijde van de ontvangst door Zwitserland van het rechtshulpverzoek de machtiging was verleend. [2]
derde middelbehelst de klacht dat “
het verrichte onderzoek onvoldoende professioneel c.q. ondeugdelijk is”.
dat eveneens geen (ontlastende) getuigen gehoord zijn” en “
het (stam)proces-verbaal van verbalisant [verbalisant], waarnaar het Hof overigens ook in haar bewijsmiddelenoverzicht naar verwijst, enkel (ruimschoots) verouderde en in zelfs onjuiste informatie bevat”, aldus luidt de klacht.
ondeugdelijk/onprofessioneel onderzoek” overwegend bezien vanuit het perspectief van het “
talmen met de feitelijke vervolging”, zoals dat in de pleitnotitie is gekwalificeerd.
vierde middelbehelst de klacht dat het hof het verweer, dat de verdachte moet worden vrijgesproken, “
nu de door de Zwitserse autoriteiten aangeleverde gegevens niet tot het bewijs gebezigd kunnen worden”, ten onrechte althans onvoldoende gemotiveerd heeft verworpen. Het middel behelst twee klachten. De eerste klacht houdt in dat het hof “
een onjuiste uitleg aan Zwitsers recht [heeft] gegeven die onverenigbaar is met dat recht”. De tweede klacht houdt in dat het oordeel van het hof, te weten dat niet is gebleken “
dat verdachte met het witwassen uitsluitend een fiscaal doel had”, onbegrijpelijk is gelet op de visie van de (toenmalige) staatssecretarissen van Justitie en van Financiën.
dat erop gericht lijkt te zijn de fiscale afdracht te beperken. Dat blijkt uit het standpunt van de regering omtrent de verhouding tussen het delict witwassen en fiscale delicten.”
evidente misslagen van de lagere rechter wegens onbegrijpelijkheid vernietigd kunnen worden”. [4]
door de aangezochte staatals een fiscaal delict worden beschouwd: “
if the request concerns an offence which the requested Party considers a political offence, an offence connected with a political offence, or a fiscal offence”. [6]
Abgabebetrug”.
. Lässt sich hingegen nachweisen, dass der Täter mit seiner Fälschung oder Falschbeurkundung nicht nur einen steuerlichen Vorteil erstrebte, sondern auch eine Verwendung des Dokumentes im nicht-fiskalischen Bereich beabsichtigte oder zumindest in Kauf nahm, so liegt Konkurrenz zwischen Steuerdelikt und gemeinrechtlichem Urkundendelikt vor;die Voraussetzungen beider Tatbestände sind dann in objektiver und subjektiver Hinsicht erfüllt. Wer ein Falsum herstellt und einem Dritten zur freien Verwendung überlässt, kann gegen die Bestrafung gemäss Art. 251 StGB Pro nicht den Einwand erheben, er habe angenommen, die falsche Urkunde werde nur im Steuerverfahren eingesetzt. Bei erkennbarer Verwendbarkeit für nicht-fiskalische Zwecke nimmt der Täter, der das Dokument einem Dritten überlässt, zumindest in Kauf, dass die Urkunde zur Erlangung eines nicht-fiskalischen Vorteils Verwendung findet.” [8]
medegericht kan zijn geweest op een niet-fiscaal delict. Het Bundesgericht overweegt namelijk ook dat, bij het kenbare gebruik voor niet-fiscale doeleinden, de dader die het document aan een derde ter beschikking stelt, ten minste op de koop toe neemt dat het document zal worden gebruikt voor het verkrijgen van niet-fiscaal voordeel. [9] In de concrete, door het Bundesgericht besliste zaak ontbrak echter ieder aanknopingspunt dat de verdachten met de ten laste gelegde gedragingen andere dan fiscale doeleinden nastreefden of met voorwaardelijk opzet het gebruik van de valse boekhouding met andere dan belastingbelangen op de koop toe hebben genomen, zo overweegt het Bundesgericht. [10]
verband houdende feiten”, zoals het geval is bij de exceptie inzake politieke delicten. [11] De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 25 jun 1985 de opvatting afgewezen dat de uitleveringsexceptie voor fiscale delicten ook betrekking heeft op ieder feit dat blijkens de omstandigheden waaronder het begaan is een overwegend fiscaal karakter heeft. [12] Voor het rechtshulprecht moet hetzelfde worden aangenomen. Ook naar Zwitsers recht is de fiscaal delict-exceptie, zoals we zagen, niet zo ruim.
nietals fiscaal delict moeten worden gekwalificeerd, onbegrijpelijk is. Gelet op de uitspraak van het
ZwitserseBundesgericht acht ik dat oordeel niet onbegrijpelijk. In de overwegingen van het hof, te weten dat het doel van de verdachte was voorwerpen of geldbedragen van criminele herkomst te verbergen of verhullen en hij met het witwassen niet uitsluitend een fiscaal doel had, ligt immers besloten dat de verdachten met de ten laste gelegde (en door het hof ook bewezen verklaarde) gedragingen (mede) andere dan fiscale doeleinden nastreefden.
Nederlandsestaatssecretaris van Justitie mede namens de staatssecretaris van Financiën heeft ingenomen bij de beantwoording van Kamervragen. Dit standpunt zegt wellicht iets over het antwoord op de vraag wat naar Nederlands recht als fiscaal delict zou kunnen worden aangemerkt, maar niet over wat naar Zwitsers recht als fiscaal delict moet worden gekwalificeerd.
vijfde middelbehelst de klacht dat het bewezenverklaarde witwassen niet wordt gedragen door de door het hof gebruikte bewijsmiddelen, en dit in het licht van het ter terechtzitting gevoerde bewijsverweer. De toelichting op het middel richt zich op het oordeel van het hof “
dat het niet anders kan zijn dan dat de in de auto aangetroffen geldbedragen en de geldbedragen op de Zwitserse bankrekening middellijk of onmiddellijk afkomstig zijn uit enig misdrijf”. Dat oordeel “
is zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk.”
zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk” is, mist dan ook feitelijke grondslag en faalt daarom.
dat het hof in deze zaak voldoende pogingen heeft gedaan tot verificatie van het door verdachte genoemde alternatieve scenario” terwijl in het middel noch in de toelichting wordt aangevoerd waarom dat oordeel onjuist of onbegrijpelijk zou zijn. Daarom faalt het beroep op HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM2471,
NJ2010/460. Verder heeft het hof uitvoerig uiteengezet dat en waarom er méér is dan enkel een ernstig vermoeden dat bepaalde goederen of geldbedragen uit enig misdrijf afkomstig zijn, zodat het beroep op HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM0787,
NJ2010/456 evenmin opgaat.