Conclusie
“mishandeling”,en bepaald dat ter zake geen straf of maatregel wordt opgelegd.
eerstemiddel klaagt dat het hof in strijd met het vertrouwensbeginsel het openbaar ministerie in zijn strafvervolging ontvankelijk heeft verklaard. Het
tweedemiddel klaagt dat het hof ten onrechte althans onvoldoende gemotiveerd het verweer heeft verworpen dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard wegens schending van het vertrouwensbeginsel. De middelen klagen vanuit twee verschillende invalshoeken over inhoudelijk dezelfde beslissing zodat ze gezamenlijk kunnen worden besproken.
zijnde niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte onder parketnummer 16/119879-13 is ten laste gelegd.” Alleen de verdachte is van dit vonnis in hoger beroep gekomen.
ten onrechte is geconcludeerd dat het openbaar ministerie, ook gelet op het vertrouwensbeginsel, ontvankelijk is in de zaak betreffende de mishandeling.”
niet is gebleken dat hij [de verdachte] zich schuldig heeft gemaakt aan enig strafbaar feit” en de verdachte daarom ervan uit mocht gaan dat hij niet ter zake van mishandeling zou worden vervolgd. Tevens wordt aangevoerd dat het hof niet gemotiveerd heeft gereageerd op het standpunt van de verdediging dat “
ook bij het voortduren van een procedure en gewijzigde omstandigheden getoetst moet worden of – op dat moment – sprake is van strijd met enig beginsel van goede procesorde, in casu het vertrouwensbeginsel”.
slechts in zeer beperkte mate voor een inhoudelijke rechterlijke toetsing” leent “
in die zin dat slechts in uitzonderlijke gevallen plaats is voor een niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging op de grond dat het instellen of voortzetten van die vervolging onverenigbaar is met beginselen van een geode procesorde, voor zover hier van belang met het verbod van willekeur – dat in strafrechtspraak in dit verband ook wel wordt omschreven als het beginsel van een redelijke en billijke belangenafweging – om de reden dat geen redelijk handelend lid van het openbaar ministerie heeft kunnen oordelen dat met (voorzetting van) die vervolging enig door strafrechtelijke handhaving beschermd belang gediend kan zijn.” [1] Ook brengt het naleven van gestelde voorwaarden niet onder alle omstandigheden mee dat het openbaar ministerie in strijd met een behoorlijk vervolgingsbeleid zou handelen wanneer de verdachte alsnog wordt vervolgd. [2]
niet afdoet” aan zijn oordeel dat het openbaar ministerie in redelijkheid kon beslissen om tot vervolging van verdachte over te gaan zonder dat daarbij in strijd is gehandeld met enig beginsel van een goede procesorde.
bij een veroordelingter zake van dat (nieuwe) strafbare feit. [4] Het lot van de vordering tot tenuitvoerlegging wegens een overtreding van de algemene voorwaarde is dus onlosmakelijk verbonden met het lot van de strafvervolging ter zake van het delict dat aan die vordering tot tenuitvoerlegging ten grondslag is gelegd. [5]
niet afdoet” aan zijn oordeel dat het openbaar ministerie in redelijkheid kon beslissen om tot vervolging van verdachte wegens mishandeling over te gaan zonder dat daarbij in strijd is gehandeld met enig beginsel van een goede procesorde, getuigt m.i. van een onjuiste rechtsopvatting omtrent de onschuldpresumptie, of is althans zonder nadere motivering niet begrijpelijk. [8]