Verdachte was door het Gerechtshof Den Haag veroordeeld voor het opzettelijk telen van hennepplanten en diefstal van elektriciteit. Het hof had hem veroordeeld tot 84 dagen gevangenisstraf en een betalingsverplichting opgelegd aan de benadeelde partij.
De verdediging voerde cassatie in tegen de bewezenverklaring van beide feiten. De Hoge Raad oordeelde dat het hof de bewezenverklaring van de hennepteelt voldoende had gemotiveerd, mede op basis van vingerafdrukken, DNA-sporen en vondsten in de auto van verdachte, en verwierp het verweer.
Echter, voor de diefstal van elektriciteit stelde de Hoge Raad vast dat het hof onvoldoende had gemotiveerd waarom verdachte bij deze diefstal betrokken zou zijn, terwijl de bewijsmiddelen dit niet duidelijk maakten. Daarom vernietigde de Hoge Raad het arrest voor dat onderdeel en de strafoplegging en verwees de zaak terug naar het hof voor hernieuwde beoordeling.
De rest van het cassatieberoep werd verworpen. Er werden geen gronden gevonden om ambtshalve te vernietigen. De conclusie werd gegeven door de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad.