Conclusie
Het middel
29 september 2014 houdt onder meer het volgende in:
(…)
Ik ben van mening dat geen sprake is van diefstal. Ik heb geen stroom gestolen want ik woon helemaal niet aan de [a-straat 1] te Houten. Ik sloot alleen de elektriciteit aan en daarna ging ik weer weg. (…) Ik heb zelf geen voordeel gehad bij de aansluitingen. Ik help mijn ex wanneer zij mij nodig heeft. (…) Mijn ex heeft er voordeel van gehad, ik niet.
Mijns inziens moet mijn cliënt worden vrijgesproken. (…)
Ten aanzien van feit 1, de diefstal, geldt dat mijn cliënt niet het oogmerk had op wederrechtelijke toe-eigening. (…) Mijn cliënt vernam dat zijn ex en kinderen waren afgesloten van de voorzieningen. Hij heeft de boel hersteld maar de energie was niet voor hemzelf bedoeld. De vraag is of je iets kunt stelen voor een ander en of hij als heer en meester over het goed heeft beschikt. (…) Mijn cliënt heeft een ander de gelegenheid gegeven om elektriciteit en gas te laten wegnemen. (…) Mevrouw nam weg en mijn cliënt heeft daartoe alleen gelegenheid verschaft.
Gelet hierop moet mijn cliënt worden vrijgesproken van het onder 1 tenlastegelegde.”
Het feit dat ten gevolge van die werkzaamheden niet verdachte zelf, doch zijn ex-partner en kinderen konden profiteren van de weggenomen elektriciteit en het gas maakt niet dat geen sprake was van wederrechtelijke toe-eigening.
Het verweer wordt verworpen.”