ECLI:NL:PHR:2015:2291

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
20 november 2015
Publicatiedatum
23 november 2015
Zaaknummer
14/06296
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 339 RvArt. 407 lid 2 RvArt. 1:349 BWArt. 6:170 BWArt. 7:230a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontvankelijkheid tweede hoger beroep binnen appeltermijn na niet-ontvankelijkverklaring eerste hoger beroep

In deze zaak staat de ontvankelijkheid centraal van een tweede hoger beroep dat binnen de appeltermijn is ingesteld na een eerdere niet-ontvankelijkverklaring van het eerste hoger beroep. De huurovereenkomst tussen partijen betrof kantoorruimte en parkeerplaatsen, waarbij de huurder de huur niet tijdig betaalde en geen bankgarantie stelde, wat leidde tot ontbinding van de huurovereenkomst en diverse vorderingen van de verhuurder.

De eerste hoger beroepprocedure werd door het hof beëindigd met een niet-ontvankelijkverklaring wegens het ontbreken van grieven. Vervolgens stelde de eiser binnen de appeltermijn een tweede hoger beroep in. Het hof verklaarde dit tweede hoger beroep niet-ontvankelijk, maar de Hoge Raad vernietigde dit arrest en verwees de zaak terug, stellende dat het tweede hoger beroep ontvankelijk kan zijn.

De Hoge Raad baseert zich op eerdere jurisprudentie waarin is vastgesteld dat een tweede hoger beroep binnen de termijn mogelijk is, ook als het eerste hoger beroep niet is ingetrokken of niet-ontvankelijk is verklaard. Dit sluit aan bij het gesloten stelsel van rechtsmiddelen en de eisen van een goede procesorde. De niet-ontvankelijkverklaring van het eerste hoger beroep betekent immers geen inhoudelijke afwijzing, waardoor het vorderingsrecht blijft bestaan en opnieuw kan worden uitgeoefend.

De Hoge Raad benadrukt dat er geen sprake is van misbruik van procesrecht door het instellen van het tweede hoger beroep binnen de termijn, en dat het eerdere niet-ontvankelijkverklaarde hoger beroep geen kracht van gewijsde heeft die het tweede hoger beroep in de weg staat. Hiermee wordt de mogelijkheid tot een inhoudelijke behandeling van de zaak in twee feitelijke instanties gewaarborgd.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en verklaart het tweede hoger beroep binnen de appeltermijn ontvankelijk.

Conclusie

Zaaknr: 14/06296
mr. E.M. Wesseling-van Gent
Zitting: 20 november 2015
Conclusie inzake:
[eiser]
tegen
1. [verweerder 1]
2. [verweerder 2]
Het gaat in deze zaak uitsluitend om de ontvankelijkheid van een binnen de appeltermijn voor de tweede keer ingesteld hoger beroep.
1. Feiten [1] en procesverloop [2]
1.1 Op 28 februari 2011 is een schriftelijke huurovereenkomst gesloten met betrekking tot kantoor/showroomruimte en twee parkeerplaatsen, gelegen in Hoofddorp, met bestemming tandheelkundige kliniek.
Verweerders in cassatie (hierna: [verweerders]) zijn verhuurder. Als huurder wordt vermeld: “Universal Implant Clinic B.V. i.o., rechtsgeldig vertegenwoordigd door [eiser] [eiser tot cassatie, hierna: [eiser], toevoeging WvG] (…) en [B] BVBA, [a-straat 1] te België [plaats].”
1.2 Universal Implant Clinic B.V. (hierna: UIC) is opgericht op 2 november 2011 en heeft haar naam gewijzigd in Paroplant B.V. Bestuurder van Paroplant B.V. is [A] B.V., waarvan [eiser] bestuurder is.
1.3 De huurovereenkomst is ingaande 1 maart 2011 aangegaan voor de duur van vier jaar, derhalve tot en met 28 februari 2015. De aanvangshuur bedraagt € 26.200,-per jaar. Met ingang van 1 maart 2012 bedraagt de huurprijs € 26.959,80 per jaar.
1.4 Op de huurovereenkomst zijn van toepassing de algemene bepalingen huurovereenkomst kantoor ruimte en andere bedrijfsruimte in de zin van artikel 7:230a BW, versie juli 2003.
1.5 Op grond van artikel 6 van Pro de huurovereenkomst in samenhang met artikel 12 van Pro de algemene bepalingen dient de huurder een bankgarantie te stellen van € 9.204,18, bij gebreke waarvan een boete wordt verbeurd van € 250,- per dag.
1.6 De gemachtigde van de drie partijen Paroplant B.V., [A] B.V. en [eiser] heeft bij brief van 27 juni 2012 aan [verweerders] het volgende bericht:
“Cliënte, Paroplant B.V., is op 2 november 2011 opgericht en is de voortzetting van UIC. Voor zover in haar oprichtingsfase rechtshandelingen zijn verricht door [eiser], voornoemd, zijn dan wel worden deze rechtshandelingen door cliënte bekrachtigd”
en
"Tot op heden heeft cliënte geen activiteiten ontplooid en derhalve geen omzet gegenereerd noch winst gemaakt en door haar besluit om verdere activiteiten te staken zullen ook geen gelden meer beschikbaar komen.”
1.7 Vervolgens heeft deze gemachtigde bij brief van 10 juli 2012 aan [verweerders] de huurovereenkomst opgezegd tegen de eerst mogelijke datum.
1.8 [verweerders] hebben, gelet op de ontstane huurachterstand, bij brief van hun gemachtigde van 9 oktober 2013 de huurovereenkomst per 15 oktober 2013 buitengerechtelijk ontbonden. Achtergrond is dat zij met ingang van 15 oktober 2013 een nieuwe huurder hebben gevonden.
1.9 Bij inleidende dagvaarding van 6 mei 2013 zijn Paroplant B.V., [A] B.V. en [eiser] door [verweerders] gedagvaard voor de rechtbank Amsterdam, sector kanton. [verweerders] hebben daarbij, voor zover thans van belang [3] , ontbinding van de huurovereenkomst gevorderd alsmede hoofdelijke veroordeling van Paroplant B.V., [A] B.V. en [eiser] tot betaling van buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten en voorts hoofdelijke veroordeling van [A] B.V. en [eiser] tot (i) ontruiming van het gehuurde binnen vier weken na betekening van het te wijzen vonnis en voorts tot het als schadevergoeding betalen van (ii) de achterstallige huur vanaf 1 december 2012 tot het moment van ontruiming, te vermeerderen met wettelijke (handels)rente; (iii) van de contractuele boete van € 300,- per maand ingaande 1 april 2012, als gevolg van het niet tijdig voldoen van de huurpenningen, met wettelijke rente; (iv) van de contractuele boete van € 250,- per dag als gevolg van het niet stellen van de bankgarantie, te rekenen vanaf 7 augustus 2012 en (v) van de contante waarde van de resterende huurtermijnen vanaf de datum van ontruiming tot 28 februari 2015, dan wel tot de datum dat het eisers (mogelijk) is gelukt het gehuurde voordien opnieuw te verhuren tegen tenminste dezelfde huurprijs.
1.10 Aan deze vorderingen hebben [verweerders] ten grondslag gelegd dat sprake is van een aanmerkelijke huurachterstand, dat het stellen van een bankgarantie achterwege is gebleven en dat aanmaningen en sommaties geen resultaat hebben gehad.
1.11 Tegen Paroplant B.V. is verstek verleend. [A] B.V. en [eiser] hebben verweer gevoerd en als voorwaardelijke eis in reconventie, kort gezegd, opheffing van de door [verweerders] gelegde beslagen gevorderd.
1.12 De kantonrechter heeft bij vonnis van 10 maart 2014 in conventie de huurovereenkomst per 15 oktober 2013 ontbonden en voorts [eiser] in de hoedanigheid van bestuurder van [A] B.V. veroordeeld om aan [verweerders] te voldoen:
 een schadevergoeding ter hoogte van de huur vanaf 1 december 2012 tot 15 oktober 2013, met wettelijke handelsrente;
 € 5.500,- als boete wegens het niet tijdig betalen van de huur;
 € 20.000,- als boete wegens het niet stellen van de bankgarantie.
Daarnaast heeft de kantonrechter in conventie Paroplant B.V. en [eiser] in de hoedanigheid van bestuurder van [A] B.V. hoofdelijk veroordeeld tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten en het meer of anders gevorderde afgewezen.
De reconventionele vordering is door de kantonrechter afgewezen.
1.13 [eiser] is bij dagvaarding van 26 maart 2014 van dit vonnis in hoger beroep gekomen bij het gerechtshof Amsterdam. Nadat de zaak was aangebracht op de rol van 22 april 2014 is ter rolle van 3 juni 2014 verval verleend van het recht van appellant op het nemen van een memorie van grieven. Het hof heeft [eiser] bij arrest van 1 juli 2014 niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep wegens het ontbreken van grieven.
1.14 Bij dagvaarding van 6 juni 2014 is [eiser] nogmaals in hoger beroep gekomen van het vonnis van de kantonrechter van 10 maart 2014 bij het gerechtshof Amsterdam.
Dit (tweede) hoger beroep is aangebracht op de rol van 15 juli 2014.
[verweerders] hebben op dezelfde datum bij H2-formulier een ontvankelijkheidsverweer opgeworpen, waarna [eiser] in de gelegenheid is gesteld zich bij akte uit te laten over de ontvankelijkheid.
[eiser] heeft op 29 juli 2014 een akte genomen, waarop [verweerders] bij antwoordakte van 12 augustus 2014 hebben gereageerd.
1.15 Bij arrest van 9 september 2014 heeft het hof [eiser] niet-ontvankelijk verklaard in het tweede hoger beroep.
1.16 [eiser] heeft tijdig [4] cassatieberoep ingesteld.
[verweerders] hebben geconcludeerd tot verwerping.
Vervolgens hebben beide partijen hun standpunten schriftelijk toegelicht [5] , waarna [verweerders] een conclusie van dupliek hebben genomen [6] .

2.Bespreking van het cassatiemiddel

2.1
Het cassatiemiddel richt zich in
onderdeel 1tegen rechtsoverweging 2.3, waarin het hof als volgt heeft geoordeeld:
“Het hof stelt voorop dat de eerdere procedure tussen partijen bij dit hof hetzelfde vonnis van de kantonrechter van 10 maart 2014 betrof waartegen appellant thans appelleert en dat in die procedure door het hof op 1 juli 2014 een eindarrest is gewezen. Daarmee is aan de appelinstantie een definitief einde gekomen. Nu het hof het appel tegen het bestreden vonnis al heeft behandeld, kan dat in het kader van de onderhavige appelprocedure niet nogmaals gebeuren. Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen brengt mee dat van de gewone rechtsmiddelen alleen nog cassatie openstaat. Dat de eerdere appelprocedure niet tot een inhoudelijke beoordeling van het bestreden vonnis maar tot een niet-ontvankelijkverklaring heeft geleid, kan daaraan niet afdoen. Anders dan appellant heeft betoogd, heeft hij wel degelijk de mogelijkheid gehad om het geschil tussen hem en geïntimeerden in twee feitelijke instanties te laten behandelen. Het enkele feit dat het in de eerdere appelprocedure niet tot een inhoudelijke behandeling is gekomen doordat appellant heeft verzuimd tijdig van grieven te dienen, maakt niet dat hij - zoals hij heeft bepleit - er recht op heeft dat dit in deze procedure alsnog geschied.”
2.2
Het onderdeel, dat is onderverdeeld in vijf subonderdelen, klaagt in de kern dat het hof heeft miskend dat noch het feit dat het hof op 1 juli 2014 op het eerste appel eindarrest had gewezen, noch de eisen van een goede procesorde en noch het gesloten stelsel van rechtsmiddelen zich verzetten tegen het binnen de appeltermijn nogmaals in hoger beroep komen van het vonnis van de kantonrechter. Omstandigheden waaronder dit anders is, zijn niet gesteld en door het hof niet vastgesteld.
2.3
Dàt binnen de appeltermijn onder omstandigheden een tweede hoger beroep van een eindvonnis kan worden ingesteld, is onder meer beslist bij arrest van 4 april 2003 [7] . In het in dat arrest berechte geval had het eerste hoger beroep zijn aanhangigheid verloren doordat zowel de appeldagvaarding als het herstelexploot niet ter rolle waren ingeschreven. Vervolgens is binnen de appeltermijn opnieuw een appeldagvaarding uitgebracht die wel ter rolle werd ingeschreven. Naar het oordeel van de Hoge Raad was dit toegestaan en gaf het oordeel van de rechtbank dat appellant niet binnen de appeltermijn opnieuw een appeldagvaarding had kunnen uitbrengen blijk van een onjuiste rechtsopvatting [8] .
2.4
In mijn conclusie vóór dit arrest heb ik gewezen op het arrest van de Hoge Raad van 9 juli 1999 [9] , waarin in een Antilliaanse zaak aan de orde was of een tweede hoger beroep binnen de appeltermijn van dezelfde procespartij ontvankelijk was, terwijl het eerste hoger beroep niet was ingetrokken. De Hoge Raad oordeelde dat ook het tweede ingestelde hoger beroep tijdig en op de juiste wijze is ingesteld zodat appellante daarin kan worden ontvangen en dat dit hoger beroep zelfstandige betekenis heeft. Ik leidde uit dit arrest af dat wanneer een tweede hoger beroep kan worden ingesteld terwijl het eerste nog aanhangig is, dit a fortiori geldt voor een tweede binnen de termijn ingesteld appel nadat de eerste appeldagvaarding haar doel heeft gemist.
2.5
Kort na het hiervoor genoemde arrest over het binnen de appeltermijn voor een tweede maal instellen van hoger beroep van een eindvonnis, oordeelde de Hoge Raad bij arrest van 19 december 2003 dat de eisen van een goede procesorde zich er niet tegen verzetten dat binnen de cassatietermijn een tweede cassatiedagvaarding wordt uitgebracht, waarbij de middelen in beide dagvaardingen deels op hetzelfde neerkomen, zonder onderling onverenigbaar te zijn, en de wederpartij niet heeft aangevoerd dat zij op enige wijze in haar verweer in cassatie of het instellen van haar incidentele cassatieberoep is benadeeld [10] .
2.6
Bepalend voor het antwoord op de vraag of binnen de appeltermijn een tweede keer in hoger beroep kan worden gekomen nadat het hof op het eerste appel een eindarrest heeft gewezen, is de betekenis van het dictum van dat eerste eindarrest.
In zijn arrest van 1 juli 2014 heeft het hof [eiser] niet-ontvankelijk verklaard vanwege het niet dienen van grieven. Dit arrest is overigens in cassatie niet bestreden en heeft dus kracht van gewijsde gekregen.
2.7
Niet-ontvankelijkheid betekent dat eiser niet in zijn rechtsvordering kan worden ontvangen vanwege het niet voldoen aan processuele/formele eisen. Voorbeelden uit rechtspraak en literatuur zijn: de termijn om een vordering of een rechtsmiddel in te stellen is verlopen [11] ; een voogd stelt een eis in zonder de vereiste machtiging van de kantonrechter (art. 1:349 BW Pro) [12] ; de eiser stelt een vordering in tegen de werkgever van de dader ter zake van onrechtmatige daad, maar stelt daarbij niet dat de handeling werd verricht op een moment dat de werkgever zeggenschap had over de gedraging van de dader (art. 6:170 BW Pro) [13] ; de cassatiemiddelen voldoen niet aan de eisen van art. 407 lid 2 Rv Pro. Er wordt dan uitsluitend beslist over de rechtsvordering, maar er vindt geen inhoudelijke beoordeling van het vorderingsrecht plaats en er wordt mitsdien daarover ook geen inhoudelijke beslissing gegeven.
In al deze gevallen geldt dat indien het vorderingsrecht blijft bestaan, binnen een eventueel daarvoor geldende termijn een nieuwe rechtsvordering kan worden ingesteld ter uitoefening van hetzelfde vorderingsrecht [14] .
2.8
Volgens vaste rechtspraak leidt het niet-dienen van grieven tot niet-ontvankelijkheid van appellant in zijn hoger beroep. Dat hoger beroep wordt dan niet inhoudelijk beoordeeld, maar strandt op een processuele grond. Een dergelijke situatie valt mitsdien in de hiervoor genoemde categorie. De in kracht van gewijsde gegane niet-ontvankelijkheid staat een tweede hoger beroep dus niet in de weg, mits dit binnen de termijn van art. 339 Rv Pro is ingesteld [15] .
Zo is ook in oude jurisprudentie beslist dat indien van een tussenvonnis vergeefs, te weten: te laat, is geappelleerd en appellant daarom niet-ontvankelijk is verklaard in dat appel, hernieuwd hoger beroep van dat tussenvonnis kan worden ingesteld tegelijk met het hoger beroep van het eindvonnis [16] .
2.9
Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen noch de stelling van [verweerders] dat het vonnis van 10 maart 2014 kracht van gewijsde heeft gekregen doordat [eiser] in het arrest van 1 juli 2014 heeft berust, dan wel heeft nagelaten daartegen cassatieberoep in te stellen [17] , staan aan het voorgaande in de weg. Nu het hof in het eerste arrest geen inhoudelijke beoordeling van de zaak heeft gegeven, is er geen risico van tegenstrijdige beslissingen.
2.1
[verweerders] voeren in de schriftelijke toelichting [18] nog aan dat [eiser] misbruik maakt van procesrecht door na de verleende akte niet-dienen een tweede appel in te stellen. Uit de voormelde jurisprudentie kan echter worden afgeleid dat het is toegestaan binnen de appeltermijn een tweede hoger beroep in te stellen. Van misbruik van procesrecht is dan ook geen sprake. Overigens komen de kosten van de eerdere niet geslaagde poging voor rekening van [eiser], zodat [verweerders] (nagenoeg) geen schade ondervinden.
2.11
Onderdeel 1 slaagt mitsdien. Hetzelfde geldt voor
onderdeel 2waarin wordt betoogd dat het slagen van onderdeel 1 ook gevolgen heeft voor rechtsoverweging 2.4 en het dictum.

3.Conclusie

De conclusie strekt tot vernietiging van het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 9 september 2014 en tot terugwijzing naar dit hof.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G

Voetnoten

1.Voor zover in cassatie van belang. Zie rov. 1.1-1.9 van het vonnis van de rechtbank Amsterdam, sector kanton van 10 maart 2014. Het hof heeft geen feiten vastgesteld.
2.Ontleend aan p. 2 van het vonnis van de kantonrechter van 10 maart 2014 en rov. 1 van de arresten van het gerechtshof Amsterdam van 1 juli 2014 en 9 september 2014.
3.Zie voor een volledige opsomming van de vorderingen in conventie het vonnis van de kantonrechter van 10 maart 2014 onder 2a t/m 2j.
4.De cassatiedagvaarding is op 9 december 2014 uitgebracht.
5.De s.t. van [verweerders] bevat twee producties (de rolkaart van het hof en het arrest van 1 juli 2014).
6.In het procesdossier van [eiser] ontbreken de appeldagvaarding van 26 maart 2014 en het arrest van 1 juli 2014.
7.HR 4 april 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF3061, NJ 2003/418, rov. 3.4.3.
8.Zie over dit arrest o.a. Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein & Wesseling-van Gent 2012/75.
9.HR 9 juli 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZC2953, NJ 1999/699, rov. 3.5.
10.HR 19 december 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF9714, NJ 2008/75, rov. 3.3. Vgl. HR 15 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ1112, NJ 2007/132 m.nt. J. Leegemaate, rov. 4.7.
11.Zie ook HR 9 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM2337, NJ 2012/226 m.nt. H.J. Snijders.
12.Hugenholtz/Heemskerk, 24e druk, nr. 121.
13.Rueb, Gras & Jongbloed, Compendium van het Burgerlijk procesrecht, nr. 9.3.2.
14.Zie hierover o.a. W.H. Heemskerk, Vorderingsrecht en rechtsvordering, inaugurele rede 1974, Kluwer.
15.Verg. het door M. Ynzonides, Verstek en verzet, diss. 1996, op p. 82 gegeven voorbeeld dat indien een eiser in beroep niet verschijnt en ontslag van instantie wordt uitgesproken, de aanlegger in theorie binnen de appeltermijn en met de verplichting de kosten van het verstek te betalen nogmaals beroep kan instellen. Zie voorts hof Leeuwarden 21 september 1994, ECLI:NL:GHLEE:1994:AD2153, NJ 1995/217. Zie ook W.D.H. Asser, Civiele cassatie, 2e druk, p. 82, die herstel van een op de voet van art. 407 Rv Pro niet-ontvankelijk cassatieberoep praktisch onmogelijk acht omdat cassatieberoep veelal op de laatste dag van de termijn wordt ingesteld.
16.Zie HR 21 juni 1940, NJ 1940/918, aangehaald door (i) Haardt in zijn noot onder HR 14 december 1974, ECLI:NL:HR:1973:AC3890, NJ 1974/347; (ii) Snijders/Wendels, Civiel appel 2009/50 en (iii) Asser Procesrecht/Korthals Altes & Groen 7 2015/59 en 73. Zie ook HR 9 mei 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF4606, NJ 2005/168 m.nt. W.D.H. Asser, rov. 4.3.2, aangehaald door Hugenholtz/Heemskerk, nr. 151.
17.S.t. onder 21-30.
18.Onder 49.