Conclusie
1.Feiten en procesverloop
primair) de gehele woning ( [a-straat 1] en 5) aan de vrouw wordt toegedeeld en (
subsidiair) één van de twee woningen na splitsing althans het opheffen van de verheling aan de vrouw wordt toegedeeld en de andere woning wordt verkocht, afhankelijk van de vraag of de vrouw in staat is om de man uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypotheken te laten ontslaan in de verschillende scenario’s en afhankelijk van de vraag wat de staat van de woningen is vóór toedeling;
primairde woning aan de man toe te scheiden,
subsidiairte bepalen dat de woning ex artikel 3:178 lid 3 BW Pro voor een periode van drie jaren onverdeeld wordt gelaten en
meer subsidiairte bepalen dat de woning teruggebracht dient te worden in de oorspronkelijke staat (lees: opnieuw te splitsen in afzonderlijke woonhuizen, nummers 3 en 5), waarbij [a-straat 1] wordt toegescheiden aan de man, dan wel ex artikel 3:178 lid 3 BW Pro onverdeeld wordt gelaten voor de duur van drie jaren, en [a-straat 2] zal worden verkocht.
2.Beoordeling van het principale cassatieberoep
Gerechtigdheid tot verkoopopbrengst [a-straat 2]”:
subonderdelen 2.1.1 en 2.1.2lenen zich voor gezamenlijke behandeling.
verbintenisrechtelijke aanspraaken dat de man zijn vordering geenszins baseert op een goederenrechtelijke aanspraak. De man heeft, aldus de subonderdelen, in hoger beroep gesteld dat de vrouw (alleen) eigenaar is geworden omdat daardoor de woning veel goedkoper kon worden verworven, en zich beroepen op lastgeving (met verwijzing naar het arrest Modehuis Nolly [15] ) en op de redelijkheid en billijkheid (verwezen wordt naar het verweerschrift van de man in appel, nrs. 14, 20 en 25 en meer algemeen nrs. 14-26). “Wat partijen verder nog naar voren hebben gebracht” behoeft derhalve wel degelijk nog bespreking en kan tot een ander oordeel leiden. Indien het hof het voorgaande niet heeft miskend, heeft het geen inzicht gegeven in zijn gedachtegang op dit punt, althans een onbegrijpelijk oordeel gegeven, aldus de man.
en5) als één geheel moet worden
verkocht(p. 4 onderaan; p. 5, 2e alinea), waarna de rechtbank in het kader van de vraag naar de wijze van verdeling van de daarmee gemoeide
verkoopopbrengst(p. 5, 5e alinea) heeft beslist, onder meer, dat het redelijk is dat (ook) de man voor de helft gerechtigd is tot de verkoopopbrengst van het (uitsluitend aan de vrouw in eigendom toebehorende) gedeelte [a-straat 2] (p. 6). In appel heeft het hof echter overwogen – in cassatie niet bestreden – dat met betrekking tot het aan de vrouw toebehorende onroerend goed [a-straat 2]
verdeling niet aan de ordeis [16] (rov. 23), waarna het voorts op het daartoe strekkende primaire verzoek van de vrouw heeft bepaald – eveneens onbestreden – dat [a-straat 1] wordt toegedeeld aan de vrouw dan wel, indien de man niet tijdig uit zijn hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire geldleningen op beide panden wordt ontslagen, wordt verkocht (rov. 23). Het hof heeft dan ook de (sub b) verzochte verklaring voor recht dat de waarde/opbrengst van [a-straat 2] slechts aan de vrouw toekomt,
afgewezen. Waar vast staat dat geen sprake zal zijn van een bij wijze van verdeling van het pand [a-straat 2] te verdelen (netto-)verkoopbrengst (vgl. art. 3:185 lid 2 aanhef Pro en onder c, BW), behoeft in dit geding ook geen uitspraak te worden gedaan over enige ‘gerechtigdheid’ daartoe van de man.
vergoedingsrecht– in subonderdeel 2.1.2 wordt gesproken van een ‘vergoedingsrecht ter zake van een deel van de opbrengst’ – kunnen deze ook niet slagen.
bedoelingvan partijen zou zijn geweest om ‘intern’
beideneigenaar te zijn van [a-straat 2] .
subonderdeel 2.1.3slaagt evenmin.
subonderdelen 2.2.1 en 2.2.2zijn gericht tegen het hierna aangehaalde gedeelte van rov. 18, waarin het hof ingaat op de stelling van de vrouw (grief 3; zie rov. 16) dat de man geen vergoedingsvordering toekomt voor de door hem verrichte hand- en spandiensten bij de verbouwing:
subonderdeel 2.2.2miskent het hof in de laatste volzin van rov. 18 dat er diverse rechtsgronden zijn aan te wijzen – redelijkheid en billijkheid en ongerechtvaardigde verrijking – op basis waarvan een partij die structureel zonder expliciete afspraak over vergoeding maar met de volledige instemming van de eigenaar verbeteringen aanbrengt aan een zaak van een ander, aanspraak kan maken op een vergoeding van zijn werkzaamheden.
subonderdelen 2.3.1 en 2.3.2lenen zich voor een gezamenlijke behandeling. Zij zijn gericht tegen het volgende gedeelte van rov. 28 (en in het verlengde daarvan tegen rov. 29):
NJ2014/225) [33] , onder meer wat betreft de vereiste behoedzaamheid en de motiveringsplicht. Voorts zou het hof hebben miskend dat de rechter ervoor moet waken dat de partij aan wie de betalingsverplichting wordt opgelegd, niet onder het bestaansminimum (90% van de bijstandsnorm) komt. Zo het hof het vorenstaande niet heeft miskend, is zijn oordeel onbegrijpelijk althans onvoldoende gemotiveerd, aldus het subonderdeel.
subonderdelen 2.3.4 en 2.3.5zijn eveneens gericht tegen de hierboven geciteerde rov. 29, en wel tegen het deel waarin het hof de door de man verschuldigde gebruiksvergoeding vermeerdert met de wettelijke rente
telkens vanaf de eerste dag van iedere maand dat de man de gebruiksvergoeding is verschuldigden deze niet heeft voldaan.
Subonderdeel 2.3.4klaagt dat het hof miskent dat de betalingsverplichting van de man eerst ontstaat per datum beschikking en derhalve ten onrechte een verplichting tot betaling van wettelijke rente oplegt met terugwerkende kracht tot 22 mei 2013. Volgens
subonderdeel 2.3.5is het hof voorbij gegaan aan de als essentieel aan te merken stelling van de man dat het hof de wettelijke rente in redelijkheid niet eerder moet laten ingaan dan per datum beschikking (verwezen wordt naar verweerschrift in appel, nr. 149).
3.Beoordeling van het incidentele cassatieberoep
onderdeel 4.4getuigt het oordeel van het hof dat de rechter op grond van art. 1:165 BW Pro niet verplicht is een gebruiksvergoeding op te leggen van een onjuiste rechtsopvatting.
4.Conclusie
- in het principale cassatieberoep: tot vernietiging en het door Uw Raad zelf afdoen van de zaak op de onder 2.34 aangegeven wijze, en
- in het incidentele cassatieberoep: tot verwerping.